Rozalie Hirs

Locus (1998)

In haar debuutbundel Locus speelt Rozalie Hirs met identiteiten. De gedichten zijn nieuwe monologen van personages afkomstig uit de Griekse mythologie, filosofie en de christelijke traditie. Ook vinden we verwijzingen naar films en toneelstukken: zo verwijst het gedicht ‘Man bites Dog’ bijvoorbeeld naar de gelijknamige Belgische speelfilm, de mockumentary Man Bites Dog (C’est arrivé près de chez vous) uit 1992, het gedicht ‘Lucifer’ naar het gelijknamige toneelstuk door Joost van den Vondel uit 1654. In het gros van de gedichten voert Hirs haar archetypische personages in kritieke situaties op en laat ze hun versie van het verhaal vertellen. Bijna altijd hebben deze gedichten te maken met het nemen van beslissingen en met de ambiguïteit van situaties waarmee we ons in de wereld geconfronteerd zien.

, april 1998
Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam
ISBN: 9789021466439

"En ja, het mag gezegd worden, Rozalie Hirs schrijft mooie gedichten. Ze heeft een grote taalbeheersing en gevoeligheid, en bedenkt vaak orginele metaforen." Rogi Wieg, Het Parool

"Met Locus heeft Rozalie Hirs alleszins een opmerkelijk debuut afgeleverd. De dichteres probeert in haar poëzie – zoals zoveel dichters – om een soort van plaatsbepaling in de wereld te verwoorden. Op zich is dat streven allerminst orgineel. Het interessante van deze bundel ligt evenwel in de wijze waarop Hirs haar identiteit afbakent ten opzichte van mythische figuren en plaatsen. In haar gedichten worden haar gevoelens en denkbeelden getransformeerd tot variaties op (transformaties van) aloude mythische patronen. Afwisselend assumeert de dichteres bv. de hoogmoed en de afgunst van Lucifer, de onwetendheid van Adam, de onzekere kracht van de heroïsche smid. Het is in dit licht allerminst toeval dat de bundel naar het einde toe een vers telt met de typerende titel ‘Toverlantaarn'. Ook Hirs streeft ernaar om haar eigen leventje als het ware te laten vervloeien met de magie van beelden, schilderijen, voorstellingen en film. Daarbij dient zij zich allereerst aan als een ‘verteller', een ikpersonage dat verhaaltjes optekent; die ogenschijnlijk pretentieloze verhaaltoon vormt een uitstekend tegenwicht voor de ‘zware' voorbeelden. Hoewel Locus nog niet over de hele lijn een briljante bundel vormt, laat Hirs toch een van de boeiendste geluiden van de jongste tijd horen. Een bundel om te lezen, na te dromen én uit te kijken naar een vervolg; dat is voor een debuut toch niet niks." Dirk de Geest, Leesidee

"In haar debuutbundel Locus speelt Rozalie Hirs bij voortduring een spel met maskers. Een groot aantal gedichten is getiteld met een naam. Steeds een andere naam. De gedichten zijn te lezen als een monoloog van die persoon. [...] Maskers zijn in de Griekse theatertraditie symbolen van identificatie. Als een speler een masker opzette werd hij één met het personage dat hij speelde. [...] De gedichten zijn pogingen om 'naar het onbekende (te) luisteren'. De gekozen personages zijn een hulpmiddel van de dichter. Het masker van hun naam geeft steeds een andere gestalte aan steeds dezelfde stem van de dichter. Wie naar het onbekende zoekt, begeeft zich het beste in grensgebieden. Daar waar de identiteit van personen en dingen vaag wordt of juist radicaal en scherp verandert, is het te vinden. Ook kun je een identiteit splitsen, om een nieuwe te creëren of om de duistere onbekende driften in jezelf bloot te leggen. Luisteren naar het onbekende is dan luisteren naar vreemde innerlijke stemmen." Hans Groenewegen, HN-Magazine

Inhoud

1. gedichten uit Locus
1.1. AMFIBISCH
1.2. LUCIFER
1.3. ADAM
1.4. MAN BITES DOG
1.5. GILGAMESJ
1.6. ER
1.7. UT
1.8. DE VISSER
1.9. ZALM
1.10. LOCUS
1.11. ANADROOM
1.12. DE BROUWER
1.13. DE MOLENAAR
1.14. TRILOGIE VAN BROOD
1.15. MEISJESKOPJE

2. recensies over Locus
2.1. Rogi Wieg: Lyrische scheikunde
2.2. Hans Groenewegen: Hoor je stem van een andere zijde
2.3. Remco Ekkers: Poëzie als brood
2.4. Dirk de Geest: Locus
2.5. Rob Schouten: Uit de diepzee weinig nieuws
2.6. Kees Fens: Voor dichten niet dom genoeg

gedichten uit Locus


AMFIBISCH

Elke avond offer ik een dichter op het altaar
van mijn piano. Zijn adem vult de kamer.
De schaduw maakt mijn lippen droog –
ik drink veel water.

Mijn armen zijn volgeschreven.
Op mijn voorhoofd zit overgave,
een zegel van was – een rood waas
dat levend is als een kikkervisje.

Het zwemt rond in het glas,
verliest zijn staart –
krijgt benen en springt op.

 


LUCIFER

Ik was als de dood,
bleek van schrik – hier is enigheid,
daarbeneden gade en gading.
Mijn draak spuwt gif van afgunst
bij het zien van zoveel minnen. Wederminnen.

Ik reik naar de hemelbodem.
Kon ik maar achter de ogen kijken
van die aardworm,
die luchtbel vol klei en stof –
om haar te zien, het morgenlicht van maagden.

Voor mij geen bloed als wijn of
iemand die sterven moet
om de mens te verlossen van tegenspoed –
geen onmetelijke stenen
wegrollende halfgod.

Voor altijd laat ik barsten
wat barsten moest –
het hoofd,
de mond van goddelijk gezag –
mijn zegel en gelijkenis.

Al het laatste is onherroepelijk,
maar afwendbaar –
laat het lot verdwalen dus,
verdeel de zonen van het licht als pijlen
van de boog die opgeborgen lag.

Want wie kan me haten en
kan tegelijkertijd geheel zijn ?

Ik handel dan
uit onverstand of obsceniteit, tenminste
niet uit zoiets vaags als geheime waarheid –
in dat boek van Gabriël,
waarvan we alleen de schors zien,
nooit de bladen.

Kennen we onze daden ?
Wie voorzag gesletenheid toen
de pop van stof ontstond uit losse adem ?

Ik sta hier – gepolijste serafijn –
en de naam op Michael’s banier laat me onberoerd.
Bij het vallen verlaat de leeuw me
en de draak, de pijn tussen schouderbladen
wijst op lichamelijkheid.

Als ik op de grond neerkom,
breken mijn benen – dat heelt
zegt Apollion die de ogen met vleugels toedekt.

Ik zal man zijn voor Eva’s dochter –
o, zegen deze gedachte terwijl
de bliksem mijn voorhoofd doorboort.

 


ADAM

Laat me huilen, tranen laten –
het monotone zoute water
tussen papier en lood.

Je zult me niet beschermen
op deze rots. Een steen,
verschenen op jouw wijzen,

vloeit uit adem voort.
Mijn tenen lijken op
de zijne – ook hij is naakt

in zijn verschijnen. Misschien
is het omdat
ik jonger ben dan hij en nog

niet begrijp hoe ik een rib kan zien,
dat ik bang ben voor
de rust wanneer ik samenga.

Ik heb haar
nooit gekend – die klank
van lippen op haar huid –

dit woord, aan hem bekend,
is nieuw voor mij –
het onverwachte zuchten uit een zij.

 


ER

Ik ben het, die niet weet waarheen dit gaat –
jij bent het die me draagt.
Je hebt de ogen me verbonden –
de huid me ingevet, gestreeld.

Er vechten om een emmer
is een steen er gooien in de put,
het oor boven een slapend gat
er wachten tot het donker ploft
op de bodem van de nacht,
of stamelend veraf stil plonst –
een strak gespannen lint in water.

Ik kan niet zien waar er
is of wat
het is, dat ons belaadt –
het begint met ons, dat wel.
Het oog is ongeschonden –
welke is de ware heid en wat weet jij ?

Er is geen tijd die wonden heelt,
want het is niet de tijd die hoort –
ik rook – jij zwijgt.

 


MAN BITES DOG

Het eerste dode dier dat
ik vond als kind
was een verkreukelde vlinder –
onder een steen.

Een pakje liet ik altijd ongeopend
tot mijn moeder na dagen van
waanzin het papier eraf griste en
me het kado toesmeet.

Ik heb lief en sla dood
met dezelfde warme ziel –
op mijn rug staan vele
ongeldige namen –

gezegd en weggeschreven door
de hete naald.
Voor iedere letter heb
ik betaald met het eiland

van mijn daad.
De sleutels komen met langere
tussenpozen –
zij zijn opgehouden

met praten –
de ruit beslaat van de hitte.
Ik brand levenstraag tussen
kille muren.

 


GILGAMESJ

Ik schud zand uit de mouwen van mijn pij
en trek hem aan –
de begrafenis is uitgesteld.
Je bent geboren uit handen
van zwaarlijvige grond.

De verschrikkelijke steen is geplaatst,
verstarring in de tijd.
Je ligt ernaast –
ik kus je bleke mond.

Er komt geen adem meer.
Verval is vreemd –
de aftocht roept ons aan van binnenuit.

Als je bent vergaan
word je in de schacht getild.
Een doodgraver
tekent het verkreukelde nachtgezicht –
de koude tong met zijn speeksel,
het dove oog met zijn aarde.

 


UT

Je lichaam is helemaal blauw
omdat de nacht in je schijnt.
Zeebodem is de balletvlakte
waar alles zich neervleit,
ons opwachtend voor de pas-de-deux.
De lijn die lucht van water scheidt,
wordt opgeslokt door donkere mist.
Zo is het zand voelbaar
als ik me onderdompel –
het zand doet zich tegoed
aan een voet.
Het oor smaakt zoutig
na de waterwals
die koele troost inlijft
en vergiffenis uit
gesloten leden drijft.

Je vader vist zich naar de hemel.
Je moeder springt in het water
en geeft ons te drinken uit
een zwaar beslagen schep.

 


ZALM

Je zuigt je niet aan me vast
als een slijmerige lamprei –
je hoeft me niet te overreden als
een vraatzakmoddersnoek, o nee.
We hebben elkaar langgeleden gevraagd –
we zijn visgeworden
herinnering –
boodschappers van de zoete dood.

De geboortegrond is teruggevonden
met grote sprongen. Wij zijn moe maar
na de daad maakt
zich ongeduld meester van onze oude lijven.
De beek wordt breder.
Het zuurstofrijke water voedt de ruimte
tussen de graten.

Voor hemelkijker en goochelaar rapen
we de schaduw. Door de donkere lagen
dwaalt zij als gruis
naar de grond.
In de diepzee is het koud –
weinig nieuws –
veel water, matig verkeer.

 


LOCUS

Ik neem je mee naar binnen –
de vogels drinken het vocht van
de bladeren – de duisternis is er
als bloesem sluit –
sommige knoppen vallen.

Je roert in mijn navel –
ondermaanse navel zeg je,
waar de nacht zich samenbalt,
ontploft in duizend slokken most.

We lopen vooruit op de kraal
van onpartijdige voldoening –
het ongeregene rolt
over onze huid
in druppels gelijkenis.

Als de tak in de zoutmijn
overnacht, wordt hij zout
in de vorm van een tak –
met houten hart.

Buiten wordt de schemering
uitgelaten – de vogels schreeuwen
om de ochtend – onze zinnen
verbergen zich als kringen
in stilstaand water.

 


ANADROOM

Ongeacht het geslacht van de vis,
draagt de vis het mysterie van een inwendig voortplantingsorgaan.
Een kut zogezegd.

Waar is het paaibed ?
In de spiegel van de gade,
in koele omhelzing van glibberige schubben –
het goed valt op de grond.
Zaad is melkstof –
kroon op drilmassa.
En het vleesgeworden kind
is vis – met gevulde kuilen
in ondiep water is de doodsangst van de school
tijdelijk uitgeschakeld.

 


DE VISSER

Ik vis de dag uit het water
met de zon –
het net valt als een woord
waarin ik mijn vrouw vang.
Ik liefkoos het water;
ik roof tederheden.
Schuim spoelt aan –
vliegende vissen zingen:
zilt water,
zilveren water…
Hun ingewanden worden
blootgelegd door mijn mes,
zoals eerder de kiel een spiegel
onbeleefd opensneed.
Wind spreekt tot mijn haren:
De nacht is een zinkend schip
met duizend slapende doden
in zilt water,
zilveren water.

 


DE BROUWER

Ik ga van water uit –
bij mij krijgt het de kans
anders te zijn dan gewoon.
Gist brengt er leven in,
vermenigvuldigd tot
ontelbare monden,
die alcohol spugen
in het rond en
happen naar adem.

Het was de gruit
die bitterheid bracht
en gerst werd mout
met zijn kiem en spruit –
eerst getrouwd met het water,
dan gescheiden voor een nacht
door de oven van roosting.
De mate van hitte bepaalt
de smaak, het verlangen naar meer.

De propeller schroot
met tandeloze kaak. Weer
terug in het water
wordt zetmeel zacht
suikerbeslag, door het
naar de bodem gezakte afvalhout
heen sijpelend helder nat.
De opbrengst is groot zolang
ik het wassen op waarde schat.

De tijd is mijn wereld –
een kring om de draaiende ketel
vol gistend beslag. Als ik werk
ben ik aanwezig in het midden.
Als ik in de kelder wacht
is mijn leven een lijn
in dienst van rijping –
het edele nat wil je ferm belazerd
zien, zat zonder hoofdpijn.

 


DE MOLENAAR

De nachten zijn mijn ogen –
ik ben profeet van de wind.
De wiek likt aan de spiegel
als mijn blik de ruimte vindt.
In de tijd die verstrijkt
breekt het beeld van een kind.

Wind en graan ontstaan
bij de gratie van licht –
de schil van het brood zit dicht
tot ik haar splijt. Ik bestrooi de weg
met meel – de bakker besprenkelt hem
later met gesuikerd water.

In de maalzolder stoft het gruis –
daar ploft het koren op de ligger,
wordt bedekt door de loper.
De stille en de razende steen zijn gebild –
groeven vol graan draaien om de spil
als waaier voor de koning van dit huis.

Op de houten toren ruist het riet –
mijn jas ziet wit van meel,
ik ben er even niet.
Wat de boerenzoon achterliet
is alles wat overblijft –
het valt de mulder ten deel.

De wind krimpt in het uurwerk
en de tijd staat stil in de nacht.
Onstuimige wieken beproeven hun lach,
klapperende tongen vol smaakpapillen –
hun doel is zoet,
hun honger niet te stillen.

 


TRILOGIE VAN BROOD

I

Er is een brood in mijn mond
gelegd door wind – en regen.
Het is een klein brood, plat en licht –
het heeft gedreven op water voordat
in het hete hart van de oven
de korst verzegeld werd.
Waar is de takkenbos ?
Opgebrand –
ik heb er het vuur mee aangemaakt.
Waar is het kaf ?
Wegeblazen door een bries toen
ik het koren schudde in de wan.
Waar de aar ? Gebroken door
een vlegel – ik dorste
met zware slagen op steen.
De aarde werd bedekt met een vacht
toen haar voegen, uiteengespat,
de groei vrijgaven.

II

Er schuilt een genot in oud brood –
het tussen stenen gemalene
keert terug naar de steen.
Het geheim wordt pas
na herhaaldelijk kauwen
prijsgegeven – na aarzeling
van kruim en korst.

De aarde is hard
in de winter als het zaad
begraven ligt
in voren,
verworden tot tomben –
voor vorst taboe.

III

At je van het brood ?
Ik wachtte – graan gaf
zich over aan het graf.
De grond is zijn aard niet vergeten:
het vochtig vettige voedt de sweza
als een schoot,
door de wind herschapen.

Uit de mengbeker drink ik
water en meel.
We kneden het deeg naar
een beeld van gist en geest.
Het bevlogen brood deelt
zijn korst in tweeën –
in het binnenste is de toespijs,
een vis
die naar de hemel stijgt.
Zijn lichaam is in vuur
gehouden – en leeft.

 


MEISJESKOPJE

De lauwe nacht stroomt binnen,
sluit zich om me als een vacht –
zij wil mijn huid
en haren zacht beminnen.

Het huis staat bol van blauw
verdonkeremaande dag –
de kat ligt naast het zwarte gat
van de schouw te spinnen.

Verborgen achter doek en ezel
staat de kwast met zijn palet
vol kleuren. Hij kiest goud
om geuren te bedwingen.

Hij kiest licht voor mijn gezicht
dat naar hem toegewend
de afstand schept om een parel
van haar plaats te dringen.

Ik ben hem onbekend
maar hij kijkt me aan alsof
ik naakt voor hem zou staan –
ik heb helemaal geen bezwaar.

Hij weet zoveel en lacht zo goed.
De schilder raakt me aan met zijn penseel.
De ezel blijft, zo ook de nacht
met haar scharlaken gloed.

 

 

 

recensies over Locus


Rogi Wieg: Lyrische scheikunde

Volgens de flaptekst van haar debuutbundel Locus kan de dichteres Rozalie Hirs zo’n beetje alles: ze is afgestudeerd chemisch technoloog, studeert compositie bij Louis Andriessen (ik wist niet dat die man nog leefde; hij heeft de status van een bekende, dode componist) aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en is bovendien een dichteres, En ja, het mag gezegd worden, Rozalie Hirs schrijft mooie gedichten.

Flapteksten vormen vaak een probleem voor mij. En zeker wanneer ze niet alleen een boek, maar ook de auteur van dit boek aanprijzen. Rozalie begrijpt precies wat een chemisch evenwicht is, ze een mathematisch beeld van de interne structuur van moleculen, enzovoort. Ik weet dit, want ik heb zelf chemische technologie gestudeerd. En Rozalie speelt ongetwijfeld goed piano, want anders zit je niet bij Louis Andriessen in de groep. Ik weet dit, want ik heb ooit ook goed piano gespeeld. En Rozalie maakt interessante gedichten. Ik weet dit, want ik maak zelf ook interessante gedichten en ben al meer dan tien jaar poëzierecensent. Kortom Rozalie is een Universeel Mens. Ze is waarschijnlijk nog veel Universeler dan ik. Maar waarom moet je dat nu op een flaptekst van je eerste dichtbundel vermelden? Kunnen we in onze samenleving werkelijk geen moment in leven blijven zonder indruk op elkaar proberen te maken?

In de blauwe schulp van de nacht
liggen de beelden van je voorvaderen –
afgeschud – de wimpers kleven
aan elkaar, de ogen breken als
je ze aanschouwt – ongeopend.

In hun handen zijn alle woorden prevelend
gevouwen – zij aanbaden de schaduw
van het vlees.
Het beslapen bed is gladgestreken,
de vrouw werkt op het land.

Ik vind dit mooi. Maar na deze twee coupletten volgt nog een derde couplet wat mij niet aanspreekt. Daarin wordt wat gepreludeerd op de vrouw die op het land werkt en op de voorvaderen: de dichteres schept samenhang. En dat hoeft niet van mij. De losse eindjes touw in dit vers zijn intrigerend genoeg, ze hoeven niet tot een plot te worden geknoopt.

Rozalie Hirs heeft een grote taalbeheersing en gevoeligheid, en ze bedenkt vaak orginele metaforen (‘De tijd is mijn wereld –/ een kring om de draaiende ketel/ vol gistend beslag./ Als ik werk sta ik het midden.’). Ik ben overigens benieuwd of er aan dat gistend beslag een katalysator is toegevoegd. Of dat kan. Excuses, dit is meer een grapje voor mensen die iets afweten van scheikunde. Ik wil slechts zeggen: er is echt niets mis met de lyrische intellectuele, doordachte, klinkende verzen van Rozalie:

Er schuilt een genot in oud brood –
het tussen stenen gemalene
keert terug naar de steen.
Het geheim wordt pas
na herhaaldelijk kauwen
prijsgegeven – na aarzeling
van kruim en korst.

Nog wat flaptekst: ‘op vaak uitgesproken speelse wijze waagt Hirs de sprong naar het heden, zodat haar en onze gewoonlijk warme gevoelens wel een plaats (locus) hebben, maar ook in de meest letterlijke zin van alle tijden zijn.’

a.) Ik heb tegenwoordig niet zoveel warme gevoelens en wil die zeker niet op een locus – eventueel met anderen – hebben. Want dat wordt me dan te heet.
b.) Wat betekent ‘in de meest letterlijke zin’? Bestaat er soms ‘een minst letterlijke zin’?
c.) Ik heb onder dwang, Latijn gehad op school en zelfs Grieks, zodat ik het woord locus ken en liever nooit meer wil horen.

Nederland heeft er een dichteres bij die over talent beschikt. Bovendien is Locus typisch een bundel die zou kunnen worden bekroond. Want het boekje werd uitgegeven bij Querido en deze uitgeverij scoort hoog als het om prijzen en concoursen gaat. Maar ze moeten bij Querido wel wat aan hun flapteksten gaan doen.

(Het Parool, 8 mei 1998)


Hans Groenewegen: Hoor je stem van een andere zijde

In haar debuutbundel Locus speelt Rozalie Hirs bij voortduring een spel met maskers. Een groot aantal gedichten is getiteld met een naam. Steeds een andere naam. De gedichten zijn te lezen als een monoloog van die persoon. De personen zijn voornamelijk afkomstig uit de Griekse mythologie en filosofiegeschiedenis en uit de bijbel en de christelijke traditie. Danaë, een van de vele vrouwen die door Zeus werd overweldigd, staat naast Phaedrus uit de gelijknamige dialoog van Plato. De apocriefe Judit, die Holofernes onthoofdde, wordt gevolgd door een monoloog van Lucifer. Diens verlangen naar aardse lichamelijke liefde, bij Hirs bepalend voor zijn keuze voor de val uit de hemel, contrasteert met Adams eerste nog sprakeloze kennismaking met de ander. Elders spreken Maria, Maria Magdalena en Christofoor, die volgens de legende het Christuskind over de rivier droeg.

Maskers zijn in de Griekse theatertraditie symbolen van identificatie. Als een speler een masker opzette werd hij één met het personage dat hij speelde. De maskers waren in hoge mate stereotiep. Er was een koningsmasker, een vrouwenmasker, een voor een slaaf enzovoort. De met het masker gespeelde en verbeelde personages waren geen personen. De persoon van de speler verdween in het type dat hij speelde.

Bij Rozalie Hirs vindt de identificatie via de maskers op een andere manier plaats. Ten eerste vertegenwoordigen de maskers personen, geen stereotiepe personages. In de tweede plaats identificeert de speler, in dit geval de dichter, zich niet met de gespeelde personen. Eerder is het omgekeerde het geval. De dichter dwingt de personages zich met haar te identificeren. Anders gezegd, vanachter de maskers klinkt steeds een en dezelfde stem van de dichter. Weliswaar spreekt ze dan hoog, dan laag, dan snel, dan boos. Maar onmiskenbaar is het steeds dezelfde stem.

Hirs heeft blijkens haar gedichten de teksten waarin haar personen figureren goed gelezen. Herkenbaar is welke elementen zij aan de verhalen ontleende en welke bewerking zij op het materiaal toepaste. Die bewerking is niet gericht op het doorgronden van de persoon in kwestie. Aspecten van de geschiedenis zijn geordend naar het programma van Hirs. Zij lijkt voor hen te hebben gekozen op basis van herkenning. De herkenning moet hebben plaatsgehad in die elementen waar de personen iets vreemds aan zichzelf ontdekken. Of ze staan open voor iets vreemds buiten zichzelf. De gedichten zijn pogingen om ‘naar het onbekende (te) luisteren’. De gekozen personages zijn een hulpmiddel van de dichter. Het masker van hun naam geeft steeds een andere gestalte aan steeds dezelfde stem van de dichter.

Wie naar het onbekende zoekt, begeeft zich het beste in grensgebieden. Daar waar de identiteit van personen en dingen vaag wordt of juist radicaal en scherp verandert, is het te vinden. Ook kun je een identiteit splitsen, om een nieuwe te creëren of om de duistere onbekende driften in jezelf bloot te leggen. Luisteren naar het onbekende is dan luisteren naar vreemde innerlijke stemmen. Het kiezen van een masker is een middel om zo’n splitsing tot stand te brengen.

Bij de keuze van het masker blijkt Rozalie Hirs eveneens voorkeur te hebben voor personen die zich in een grensgebied bevinden. Het grensgebied bij uitstek komt aan de orde in het gedicht ‘De veerman’. Geen naam dit keer, maar direct in de eerste strofe maakt de spreker duidelijk dat hij Charon is, de klassieke veerman tussen dood en leven:

Ik stuur de veerboot
die van dood naar leven gaat
heen en weer

Charon beweegt zich in het grensgebied. Wie hij vervoert transformeert zich in een andere persoon. Dat proces van transformatie waarbij zicht ontstaat op het onbekende, past Hirs ook toe op dingen. In Trilogie van het brood onderzoekt ze in een omgekeerde beweging het ontstaan van brood. Zij begint in het eerste gedicht van de trilogie bij het brood en eindigt bij de waas die het opkomend graan over de aarde legt. Ze verwerkt tal van motieven uit de christelijke traditie, waarin transformaties van de ene substantie in de andere een rol spelen.

De Lucifer uit het gelijknamige gedicht wordt gedreven door een verlangen naar transformatie. In de hemel ‘is enigheid’ stelt hij. Die vaste identiteit wrevelt hem. Hij ziet op aarde gescheidenheid en splitsing. Dat brengt een verscheidenheid aan personen en verlangens, die het leven voedt:

daarbeneden gade en gading.
Mijn draak spuwt gif van afgunst
bij het zien van zoveel minnen. Wederminnen.

Hij is ook uitgesloten van lijden en dood. En van verlossing. De Lucifer van Hirs valt daarom niet, tenzij we verlangen en afgunst als val zien, hij springt in het vlees. Hij eindigt zijn monoloog met een bede:

Ik zal man zijn voor Eva’s dochter –
o, zegen deze gedachte terwijl
de bliksem mijn voorhoofd doorboort.

Meteen daarop volgt een gedicht waarin Eva nog moet ontstaan. Haar naam valt daarin niet. Adam spreekt. Hij belichaamt een andere variant van de confrontatie met het onbekende. Hij splitst zich, of misschien moet je zeggen dat hij gesplitst wordt. De slotregel vind ik één van de mooiste uit de bundel door de goed voorbereide dubbele betekenis van het woord ‘zij’. Deel van het eigen lichaam wordt een tegenover. De dichter schept die ervaring met de mogelijkheden van de taal. In de laatste twee strofen formuleert Adam zijn onzekere verrassing over de verdubbeling die doet leven. Er is een zuchten van de andere zijde. Taal is niet langer alleen woord, de geschonken mogelijkheid tot naamgeving en sturing. Met de ander met wie je de taal deelt, is de mogelijkheid tot antwoorden geschapen.

Ik heb haar
nooit gekend, die klank
van lippen op haar huid –

dit woord, aan hem bekend,
is nieuw voor mij –
het onverwachte zuchten uit een zij.

Locus is latijn voor plaats. In Locus is meer sprake van personen en dingen. Misschien is de titel daarom eerder als afkorting op te vatten van ‘locus classicus’, klassieke thema’s – hier die van leven en dood en verandering – of de vindplaats van die thema’s, in bijbel, mythen, en legenden.

Schrik niet. Voorkennis verhoogt het niveau van het verheugen bij het lezen. Bij de geslaagde gedichten is ze geen voorwaarde om te kunnen genieten. Elk boek dat je leest voegt leesgenoegens toe aan de boeken die je daarna leest. Bovendien verhoogt datzelfde boek de vreugde over de boeken die je al gelezen hebt. Nakennis.

(Verscheen onder de titel ‘Hirs speelt met maskers’, HN-Magazine, 15 augustus 1998)


Remco Ekkers: Poëzie als brood

Dubbeltalent: het kan lastig zijn. Wat te doen? Schrijven of musiceren? Rozalie Hirs noemt het amfibisch in haar debuut ‘Locus’. Deze titel is overigens ook nogal amfibisch: locus betekent plaats, maar ook tijd, en verder ruimte, redenaarsgestoelte, positie en stelling. Positiebepaling; dat is een wel een mooie titel voor een dichtbundel. Hirs heeft als debutante meteen een volwassen dichtbundel gepubliceerd.

Elke avond offer ik een dichter op het altaar
van mijn piano.

Ik begrijp het zo: de dichter speelt piano, maar zou willen schrijven. Het schrijven is een sacraal gebeuren. De adem van de dichter (adem = geest) vult de kamer. Zij krijgt droge lippen. Dorst. Zij drinkt water. Allerlei elementaire beelden doen zich voor. De armen die de handen dragen waarmee wordt gespeeld ‘zijn volgeschreven’. Er is sprake van overgave, van een zegel. En dan komt het amfibie:

een rood waas
dat levend is als een kikkervisje.

Het zwemt rond in het glas,
verliest zijn staart,
krijgt benen en springt op.

De dichter ontstaat. Evolutionair lijkt het wel. Nog net geen vleugels. Maar twee gedichten verder gaat het over Phaedrus, de Romeinse fabeldichter, bekend ook van Pirsig, en ‘groeien vleugels uit mijn ogen’.

De bundel bestaat uit drie afdelingen met elementaire titels: Adem, water, brood. Rozalie Hirs is afgestudeerd als chemisch technoloog (uitgebuit in het gedicht ‘de Brouwer’) en studeert compositie bij Louis Andriessen. Haar gedichten hebben een voorkeur voor mythische onderwerpen: van Gilgamesj tot Danaë, van Lucifer tot Judit en Maria Magdala. Lucifer is bijvoorbeeld zeer jaloers op de aardworm vanwege de mogelijkheid van minnen. Hij spreekt zijn afkeer uit van zoiets als enigheid, geheime waarheid. Uit het gedicht blijkt hoe goed Hirs op de hoogte is van de middeleeuwse opvattingen over de positie en het standpunt van de duivel.

Dit soort gedichten is erudiet. Het is knappe poëzie. Er valt heel wat te genieten van de beeldspraak, maar het emotioneert mij minder dan een gedicht als ‘Man bites dog’, waarin de dichteres het over zichzelf heeft.

Het eerste dode dier dat
ik vond als kind
was een verkreukelde vlinder –
onder een steen.

Een helder beeld met vele reminiscenties. De tweede strofe onverwacht geestig:

Een pakje liet ik altijd ongeopend
tot mijn moeder na dagen van
waanzin het papier eraf griste en
me het cadeau toesmeet.

In ‘Water’, uitgesproken vrouwelijk element, is ‘Locus’ ook een erotische plaats. Een zeer orginele verwoording van de liefdesdaad is dit gedicht.

Als de tak in de zoutmijn
overnacht, wordt hij zout
in de vorm van een tak –
met houten hart.

Maar het slot treft me dieper:

Buiten wordt de schemering
uitgelaten – de vogels schreeuwen
om de ochtend – onze zinnen
verbergen zich als kringen
in stilstaand water.

In de afdeling ‘Brood’ staan de gedichten verrassend bij elkaar. Brood kun je associëren met basisvoeding. Brood sterkt het hart. In Mesopotamië was Anu de god van het brood en het water des levens. De christelijke symboliek is van het brood is dan bekend. Christofoor is dan de brooddrager.

Elementaire beroepen als smid en molenaar vinden we in deze afdeling, naast mytische figuren als Vestaalse maagden, Maria, Christofoor en Maria Magdala en raadsels. De ‘Trilogie van brood’ kun je lezen als een christelijk gedicht, maar ook als een poëticaal gedicht: brood als poëzie:

het geheim wordt pas
na herhaaldelijk kauwen
prijsgegeven.

Een aanwijzing voor de lezer. Hij moet bereid zijn de raadsels op te lossen.

(De Leeuwarder Courant, 28 augustus 1998)


Dirk de Geest: Locus

Met Locus heeft Rozalie Hirs alleszins een opmerkelijk debuut afgeleverd. De dichteres probeert in haar poëzie – zoals zoveel dichters – om een soort van plaatsbepaling in de wereld te verwoorden. Op zich is dat streven allerminst orgineel. Het interessante van deze bundel ligt evenwel in de wijze waarop Hirs haar identiteit afbakent ten opzichte van mythische figuren en plaatsen. In haar gedichten worden haar gevoelens en denkbeelden getransformeerd tot variaties op (transformaties van) aloude mythische patronen. Afwisselend assumeert de dichteres bv. de hoogmoed en de afgunst van Lucifer, de onwetendheid van Adam, de onzekere kracht van de heroïsche smid. Het is in dit licht allerminst toeval dat de bundel naar het einde toe een vers telt met de typerende titel ‘Toverlantaarn’. Ook Hirs streeft ernaar om haar eigen leventje als het ware te laten vervloeien met de magie van beelden, schilderijen, voorstellingen en film. Daarbij dient zij zich allereerst aan als een ‘verteller’, een ikpersonage dat verhaaltjes optekent; die ogenschijnlijk pretentieloze verhaaltoon vormt een uitstekend tegenwicht voor de ‘zware’ voorbeelden. Hoewel Locus nog niet over de hele lijn een briljante bundel vormt, laat Hirs toch een van de boeiendste geluiden van de jongste tijd horen. Een bundel om te lezen, na te dromen én uit te kijken naar een vervolg; dat is voor een debuut toch niet niks.

(Leesidee, september 1998)


Rob Schouten: Uit de diepzee weinig nieuws

UT

Je lichaam is helemaal blauw
omdat de nacht in je schijnt.
Zeebodem is de balletvlakte
waar alles zich neervlijt,
ons opwachtend voor de pas-de-deux.
De lijn die lucht van water scheidt
wordt opgeslokt door donkere mist.
Zo is het zand voelbaar
als ik me onderdompel –
het zand doet zich te goed
aan een voet.
Het oor smaakt zoutig
na de waterwals
die koele troost inlijft
en vergiffenis uit
gesloten leden drijft.

Je vader vist zich naar de hemel.
Je moeder springt in het water
en geeft ons te drinken uit
een zwaar beslagen schep.

In haar gedichten breidt Rozalie Hirs de (vruchtbaarheids)mythen uit met verderaf liggende associaties. ‘Locus’ speculeert erop dat de lezer achter het mysterie komt; maar sluit hem er tegelijkertijd in op. Rozalie Hirs won, blijkens een mededeling op haar debuutbundel Locus, in 1995 de eerste prijs op de Pythische Spelen. Ik ken dat festival niet maar de prijstoekenning verbaast me niks want deze dichteres schuwt in haar gedichten de orakeltaal geenszins. Dat wil zeggen, het valt vaak niet mee om haar gedichten uit te leggen, als je dat al zou wensen.

Er bestaan, geloof ik, twee hoofdsoorten dichterlijke geheimzinnigheid. De ene ontleent haar magie aan het taalgebruik, het lyrische gehalte dat de feitelijke mededeling in de schaduw stelt. De ander ontleent haar werking aan hat verhaal dat verteld wordt en dat je niet direct kunt ontrafelen. Hirs schrijft poëzie van het tweede soort.

Haar inspiratie ontleent ze vooral aan bestaande mythologieën, de Griekse, de christelijke en nog wat uitheemse. Een greep naar haar titels zegt genoeg. Gedichten heten ‘Danaë’, ‘Lucifer’, ‘Gilgamesj’, ‘De veerman’, ‘Theseus’, ‘Kirke’, ‘Christofoor’, ‘Maria Magdala’. In het gros van de gedichten voert ze deze archetypische personages sprekend op en laat ze hun eigen versie van het oude verhaal vertellen. Hier: Danaë, door Zeus als gouden regen beklommen:

De krullen vallen.
Hij klimt omhoog als een geest –
ik zie door storm gebroken bomen.
De toren staat naakt in het ongewisse –
maakt kooien vogelvrij.

Behalve een nauwelijks te miskennen verwijzing naar fallus en schede ook nog een knipoog naar het sprookje van Rapunzel, zo te zien. En zo gaat het elders net zo, in het gedicht over Judit (die van Holofernes) treedt bijvoorbeeld ook collega-onthoofdster Salome op. Hirs breidt kortom de mythen uit met verderaf liggende associaties.

Eigenlijk zijn alle gedichten in Locus scheppingsverzen, gedichten vol vruchtbaarheid. Steeds weer kom je geheimzinnig klinkende formuleringen voor de paring en de liefde tegen. In ‘Koning van de sterren’ ontwaar je zo symbolen voor de bevruchting:

Mijn blik smijt
de hemel open in een lokroep
van kussen – mijn huid stuit
op gassen van de ontploffingsmotor

en:

Je blaast woorden het weten in –
zij splijten de zee in tweeën.

Elders herken je Odysseus’ zaad in Kirkes verhaal:

de witte bloesem
die mijn bed bezoedelt met eenheid

en in het titelgedicht gaat het als volgt:

Ik neem je mee naar binnen –
de vogels drinken het vocht van
de bladeren – de duisternis is er
als bloesem sluit –
sommige knoppen vallen

met nog anderhalve verwijzing naar Stendhals theorie over de kristallisatie der liefde in het vervolg. Geen voer voor onbelezen lezers.

Als je eenmaal op het spoor zit is er geen ontkomen meer aan: overal sporen van erotiek, bevruchtingen en voortbrengsels. Deze mythomane gedichten zijn dus vaak evenzeer vruchtbaarheidsriten. En tegelijkertijd gaan zulke creatiegedichten natuurlijk ook over de creatie van de poëzie zelf.

Maar afgezien van deze evidente lading is het vaak moeilijk in te zien welke richting Hirs’ gedichten nu eigenlijk op willen. Ze verbergt haar persoonlijkheid achter sfinxachtige beelden, kennelijk vanuit de veronderstelling dat de eigen realiteit of het werkelijkheidsgehalte of zelfs de symboliek van die oude verhalen ook nooit eenduidig kan zijn. Wat dat betreft zijn de regels die ze aan Christus’ moeder Maria toeschrijft als een soort poëtica uit te leggen:

Nu snak ik naar alles wat zonder
einde is – het mysterie van lippen
in een vloed van betekenis.

Voor de lezer die uit is op een filosofische, psychologische of intellectuele wijsheid valt er op het eerste gezicht (en ook op het tweede, derde en vierde, denk ik) weinig in deze gedichten te halen. Treffende formuleringen of lyrische passages treft men er al evenmin in aan. Slechts een enkele keer tovert een observatie een glimlach te voorschijn, zoals deze over Maria: ‘ik wil niet in gedachten blijven als de huilebalk’ of in het daarop volgende gedicht ‘Christofoor’ de openingsregel ‘Ik had niet gedacht dat / dit mannetje zoveel woog.’ En wie denkt deze gedichten met het breekijzer der interpretatie open te kunnen krijgen komt meestal bedrogen uit.

Het is natuurlijk het goed recht van elke dichter om zich uit te spreken in mysteriën (een dichteres als Gertrude Starink, waar dit werk enigszins aan doet denken, doet niet anders) maar je wilt als lezer toch een beetje zulke verzen ingelokt worden om er dan ook weer een beetje beter, wijzer, ontroerd, geraakt of glimlachend uit te komen. Mij overkwam dat niet: eenmaal binnenin het gedicht bleef ik erin opgesloten zitten.

Dat laatste is geloof ik niet de bedoeling van de dichteres. Me dunkt dat ze er toch op speculeert dat de lezer achter het mysterie komt. Maar daarvoor moet hij wel zijn best doen, blijkens het volgende fragment uit ‘Trilogie van brood’.

Er schuilt een genot in oud brood –
het tussen stenen gemalene
keert terug naar de steen.
Het geheim wordt pas
na herhaaldelijk kauwen
prijsgegeven – na aarzeling
van kruim en korst.

Hirs’ gedichten zijn ook vaak zulke elementaire steenachtige broden waarop men lang moet willen kauwen om het fijne ervan te proeven. En misschien moet je intussen ook niet al te zeer gaan zitten wachten op het aloude cognitieve of emotionele begrip van wat er zou kunnen staan maar je gewoon overgeven aan een vloed van betekenis. Tegelijkertijd lijkt echter op een onbedoelde manier waar wat er in die ondoordringbare stenen op oeroude diepzeeën van Hirs besloten ligt:

Je zuigt je niet aan me vast
als een slijmerige lamprei –
je hoeft me niet te overreden als
een vraatzakmoddersnoek, o nee.
We hebben elkaar langgeleden gevraagd –
we zijn visgeworden
herinnering –
boodschappers van de zoete dood.

De geboortegrond is teruggevonden
met grote sprongen. Wij zijn moe maar
na de daad maakt
zich ongeduld meester van onze oude lijven.
De beek wordt breder.
Het zuurstofrijke water voedt de ruimte
tussen de graten.

Voor hemelkijker en goochelaar rapen
we de schaduw. Door de donkere lagen
dwaalt zij als gruis
naar de grond.
In de diepzee is het koud –
weinig nieuws –
veel water, matig verkeer.

(De Republiek der Letteren, Vrij Nederland, 27 juni 1998)


Kees Fens: Voor dichten niet dom genoeg

Vestdijk, die meer en beter over literatuur en vooral de poëzie heeft geschreven dan bijna alle critici en essayisten na hem, met een overvloed aan ideeën die haast iedere andere geest schraal maakt, stelt in de poëzie de plastiek centraal (en hij lijkt, met grote slimheid, alle andere eigenschappen van het gedicht tot plastiek te kunnen terugbrengen). Het beeld is de kern. Hij geeft toe dat plastiek vooral bij jonge dichters voorkomt; de beschouwende poëzie is die van de ouderdom. Als ik het goed begrijp, is voor hem het beeld als kiemcel een gedicht op zich. Goede beelden groeien uit in vele betekenissen. Zijn eigen poëzie is vaak zeer plastisch, met misschien als hoogtepunt die overvolle bundel Fabels met kleurkrijt.

Zijn gelijk zou alleen al hierdoor kunnen worden bewezen: de regels uit de Nederlandse poëzie die klassiek zijn geworden, veel geciteerd worden en zich dus gemakkelijk in het geheugen vastzetten, zijn nagenoeg alle zeer plastisch; en juist hun beeldkracht (natuurlijk mede hun isolatie) geeft ze een grote symbolische betekenis. Er lijken bij die regels geen nieuwe te komen. Wordt er minder plastische poëzie geschreven? Dat kan niet. Het lijkt eerder dat de tijd van het klassiek gedicht of de klassieke regel voorbij is. Alle poëzie lijkt zich bij zichzelf schuil te houden, in een algehele naamloosheid. Ik lees veel poëzie, ik herlees weinig, want er blijft niets achter dat na een tijd begint te steken. Als ik in mijn geheugen graai, komt er veel van Komrij, Kuijper, Ouwens en nogal wat Ooosterhoff uit, en de eerste twee en de vierde zijn zeer plastische dichters.

De voorraad Komrij is weer wat groter geworden. Hij publiceerde onlangs de kleine cyclus Tequila sunrise en die is de lof van het ezeldom. ‘Wat is ezeldom een heerlijk lot.’ is de eerste regels van ‘Schrikbeeld’. De ezel krijgt van een god het aanbod weer mens te worden. Hij moet er niet aan denken:

Een mens was iemand met te kleine oren,
Een wezen dat alleen wat zichtbaar was
Kon zien en wat geluid voortbracht kon horen.
Geheime antennes had een ezel pas.

De bundel is de lof van de hoogste begaafdheid die de domheid is. In het voorlaatste gedicht neemt de ezel de gestalte aan van Orpheus: hij is de aartspoëet. Maar hij is er nog niet. Het laatste gedicht – de cyclus bestaat uit twaalf verzen van twaalf regels, een gros verzen dus – begint met de schitterende regel: ‘Wie dichten kan is nog niet dom genoeg.’ De ezel laat zijn lier vallen, de muziek is dood, de ezel begint te stijgen, totdat hij verdacht veel op de godenzoon lijkt: de absolute domheid is bereikt. ‘Wie dichten kan is nog niet dom genoeg.’ Die regel zou klassiek verdienen te worden. Ook door alle omkeringen geeft deze bundel, waarin de ezel zo wijs spreekt, heel veel vermaak. ‘Lieve ezel, verduister ons’, is het motto.

Zal ik dit onthouden? Het is het eerste gedicht van een drieluik dat ‘Maria’ heet. Het staat in de bundel Locus, waarmee Rozalie Hirs onlangs debuteerde. De bundel bevat heel veel gedichten waarin bijbelse of mythologische figuren spreken. En dat is verrassend, want ‘gestaltenpoëzie’ is zeldzaam geworden. Men peilt zichzelf, maar zelden zichzelf in een ander. Maria is de moeder van Jezus:

De toespraak van de witte kelk
ben ik vergeten – een lelie verblijft
in mijn buik, moet heilig zijn.

De wens de vader te zien plakt ongehoord
in mijn hersenpan – ik overmand
door een vrucht, een dor gegeven.

Er is een adem door me heen
gegaan van haat – ik ben
een gebrandschilderd raam.

Wie wil, mag het wat smal noemen; het is mooi, maar de woorden lijken het papier nauwelijks te hebben geraakt. De laatste regel is verreweg de sterkste, juist door het beeld. De twee andere gedichten zijn krachtiger, verrassender van taal, zinnelijker ook. En toch is het drieluik met heel wat gedichten uit de bundel typerend voor vrij veel poëzie: de beschouwing – bij jongere dichters! – heeft de plasticiteit verdrongen. Die beschouwing maakt de taal wat schroomvol, er zitten geen knopen in de regels, de taal klontert nergens. Een uit de toon vallend woord als ‘hersenpan’ maakt tooch niet meer geluid dan het vallen van een klein geldstuk. En waar de taal in de overpeinzing bijna verdwijnt, ontstaat het zachte vel van de gemeenplaats, als in ‘Christofoor’:

Ik had niet gedacht dat
dit mannetje zoveel woog.
Neemt hij dingen mee die
groot en onzichtbaar zijn?
Zijn verschijning loog er om.
Is hij voor zo’n last niet veel te klein?

Dat is voor Christofoor lang niet dom genoeg gedacht of gevraagd. Toen ik het gelezen had, was ik het alweer vergeten, misschien juist doordat de regels zich in andere woorden herhalen, wat de beschouwing tot een heel traag overpeinzen maakt.

De soort poëzie, met zijn vele tussenwoorden in zachte zinnen, met zijn denken dat zich heel traag afwikkelt in taal, maar geen taal wordt, lijkt me heel goed vertegenwoordigd door het gedicht uit De rinkelbom, de vierde bundel van Chris Honingh:

Dans mee, in elke boomtop is de wind
gevangen. Het is van geen belang, maar
toch wel waard te weten dat er zo iets
is als hoger zingen. Met zijn zakmes

snij ik houten woorden uit mijn hoofd,
de krullen vallen op de vloer, springen
van mij weg. Mijn hand schiet uit en
ik moet die vreemde pen bedwingen

alsof ik het niet ben die schrijft, maar
om het even welke kracht van binnen.

De poëzie lijkt oud geworden. En een enkele keer denk ik: verouderd.

(Cicero, Volkskrant, 5 juni 1998)