Rozalie Hirs

Logos (2002)

In Logos, de tweede dichtbundel van Rozalie Hirs, reist de lezer door het menselijk lichaam. Binnenin de dichtbundel staat een anatomische tekening, gemaakt door beeldend kunstenaar Noëlle von Eugen, waarmee de lezer door de bundel kan navigeren. De logos uit de titel zou naar de wetten van het lichaam kunnen verwijzen, waarmee we ons dagelijks in het contact met de wereld geconfronteerd zien. Maar ook naar het denken, de verbeelding, en het woord. In de talrijke liefdesgedichten blijkt de beminde een mens van vlees en bloed maar tegelijkertijd ook de taal.

, 2002
Querido, Amsterdam

"Alle gedichten hebben te maken met het avontuur van het eigen lichaam, dat soms gelijkenissen oproept met de wereld en de kosmos. Met het herhaalde lezen ervan dringt men steeds dieper door in een fascinerend universum." Remco Ekkers, Leeuwarder Courant

"Het ene woord lijkt het andere op te roepen doordat het erop rijmt of samen deel uitmaakt van een zegswijze. Het maakt Hirs' poëzie serieus en humoristisch, en verwant aan die van B. Zwaal." Eric Kok, Noord-Hollands Dagblad

Inhoud

1. digitale poëzie: Logos digitaal

2. gedichten uit Logos
2.1. AQUARIUM
2.2. DEZELFDE DINGEN
2.3. DNA
2.4. EOCEEN
2.5. FOCUS
2.6. GENESIS
2.7. GNOMON
2.8. IN BAD
2.9. IN HET DONKER
2.10. KALENDER
2.11. MINNELIED
2.12. MUZENVAL
2.13. NACHTVLINDER
2.14. OM JOU
2.15. OREWOET
2.16. RESPONSORIUM
2.17. RIVERSIDE PK
2.18. VIDEO
2.19. WOORDRAAM
2.20. ZENO

3. recensies over Logos
3.1. Remco Ekkers: Poëzie als brood
3.2. Eric de Kok: Het Lichaam als poëtische puzzel

 

digitale poëzie: Logos digitaal

Halverwege het schrijven van de gedichten van Logos ging het veelvuldig voorkomen van lichaamsdelen, kleuren en telwoorden opvallen. Hirs besloot binnenin de bundel een anatomische kaart op te nemen, waarmee de lezer door de bundel kon navigeren als ware het een lichaam. Beeldend kunstenaar Noëlle von Eugen werd bereid gevonden deze kaart te maken. Zij nam bij alle lichaamsleden ook afkortingen van de titels van de betreffende gedichten op, waarin de lichaamsdelen voorkwamen. Onderstaand gedicht staat bij wijze van handleiding aan het begin van Logos (Amsterdam: Querido, 2002).

Omdat de anatomische kaart in feite als een hyperstructuur van de bundel werkt, lag het voor de hand om de bundel in zijn geheel ook online te presenteren. Matt Lee programmeerde de site in Flash en presenteerde Logos digitaal in september 2003. Via hyperlinks op de anatomische kaart (en binnen de gedichten) kan de lezer direct naar de gedichten, waar het betreffende lichaamsdeel wordt belicht, navigeren (en ook van gedicht naar gedicht springen).
 
*
 
0. Je hebt je blik laten vallen, je neemt me in je handen,
slaat me open – nu lees je de handleiding bij Logos:
 
1. Zoek op de landkaart in het midden van dit
boek het lichaamsdeel dat je uitkiest voor een
bezoek. 2. Je vindt een plaatsnaam: afkorting
van de titel van een gedicht dat dit lichaamsdeel
belicht. 3. Blader door wat alfabet heet, incompleet
dat geef ik toe, geeft het je hoe, waar en naar toe.
 
Liefs van Logos
 
 
Landkaart voor 'Logos' door Rozalie Hirs (beeld: Noëlle von Eugen)

 

gedichten uit Logos


AQUARIUM

Ik zwem in de lucht.
Een gewichtsloze sprong maakt
van mijn bed een waternet –
de stem bind ik aan
een zeemeervin. Dan vind ik
mezelf op 3 meter,
wiegend boven de grond
waar ik oplos in een vissenmond,
bellen blazend – een koor
van lege lichamen:
binnenin zucht en

buitenom water.

In het glazen later van
mijn nachtelijke kamer
pakt de min haar hamer –
het hele uur. Dan
zakt het zand door het oog
van de slaap. Groen algenvuur
slaat zijn tong uit
de vliegende maat.
Niets meer dan een gaap
is nodig voor de sprong
door de muur.

 


DEZELFDE DINGEN

Steeds – steeds anders zijn.
Schaduw slaat gas aan, melk
kookt over koningsblauw
geruis. Meneer de koelkast
weet niet dat zijn kou wordt
weggenomen en Jezus erboven
hangt aan een kruis – ik roer
de suiker los. Zijn kroon
lijdt aan verleden tijd: kristal
voor beeld – ik ontwerp dezelfde
dingen, dagelijks overnieuw,

tevergeefs.

 


DNA

(volgt binnenkort)

 


EOCEEN

Versteende haring van
50 miljoen jaar – ben jij
de oudste aan mijn tafel,
de mooiste in het land; is
de gedachte aan jou er
eerder dan een ademhaal
of stofvlok? Alles gaat
weg
naar
de
tijd –
1 graankorrel gemaakt van
steen valt vaker uiteen in
je buik. Je praat de dood
rond – een sleutel tot leven
in een ander soort wereld,
waar levenden zich ook
zonder moeder luidruchtig
openbaren. Zij lijken wel
schimmen, opgenomen uit
besef van de film die buigt
met de lijkwagenbestuurder
eer hij instapt: dit lichaam
was een vrouw. Hij kent
haar niet, hij neemt haar mee.

 


FOCUS

In de stemband wacht
het woord op adem –
het beeld spreekt zich
uit als een adres over
de drempel van je lip,
het stratennet van de
wereld openend in 1 knip.

Jou zien is zacht –
tastend kijken we
elkaar aan. Ik laat al
mijn tijd door de lens
van je vingers vallen en
ontheemd licht oogt als
een lekker hapje in het

brandpunt.

Het voorwerp in een optica
van de terugblik is de
uit huid gemetselde
wens, door de tong
bevonden smaak – nu
je lacht met het oog
van de walvis.

 


GENESIS

Je legt me in de hand
die mijn cocon,
met zilverdraad bespannen,
belicht tot transparant.
Ik laat me door je vlammen gaan
als een ring van as –
van dunne was,
door tongen omsingeld.
Ik raak je leegte aan
die geheim en open wacht
op de landkaart en haar meridiaan.
In de omkringelde naam
word je opgetild
naar het raam van de nacht.
Je schild valt uit elkaar
bij de herinniering aan waar
plaats en tijd een kruis slaan in de datum

van geboren worden;
van gelezen worden.

 


GNOMON

Hier klokt een steen
waar een stok in steekt –
zijn schaduw paait het licht,
draait rond en snijdt
zichzelf in de tijd.
Met het eten van het vergeten
ontwricht de mond
zijn lippen niet onder het mom van

herinnering.

Nu stokt de klok
op wacht en spreekt
met stippen in de nacht.
Het rad reist door
zijn midden tot de dag
aanbreekt op de rand
van geen – de zon wijst
onherroepelijk naar de steen.

 


IN BAD

Eerst was ik het bad –
dan mezelf terwijl de
kuip wit nachtwater
vasthoudt, even later
een zinkend schip –
de badschuimfles drijft
door mijn kindertijd en
schuim maakt een baard
en een berg, mijn arm
een nijlpaard in zijn
rivierbed. Janneke
wijst naar ons kutje,
vraagt: Wat is dat?
Ik ben al 11 – ik weet het
wel, vertel het verhaal:
een koekje goed opgeborgen
in het allermooiste
mooiste trommeltje
omdat het
zo bijzonder is.

wordt vervolgd

 


IN HET DONKER

Inmiddels kan ik in het
donker door de kamer
lopen – ik voel de ruimte
haar blinde aanwezigheid,
zij ziet me niet denk ik,
ik vul haar helemaal met
mijn handen-zien, mijn
voeten-zien vóór het
aanraken te verstaan
als het stil genoeg is.

Woord en het ding –
je vindt op straat een
stoffige stuiver die glimt
je aan in slaap waar
overdag steeds schemert.
Je schemert steeds in
overtreding, dag en
nacht – daar kan ik met
het donker koeienletters
schrijven, niet foutloos.

 


KALENDER

Vandaag krijgt weer
een blad uit het rooster –
de perforatie rijgt
mijn rastergezicht.
De wond die de dag slaat
groeit ter plaatse dicht.

Bij herhaalde lezing
van de bekende in de
ongekende kamer
waar het bed ontslaapt
en de vloer zich veegt
loopt de plaats over naar

de bestemming.

Mijn hoofd verzendt zijn
vliegtuig permanent.
Het papier stort hier
voor je neer – een ramp
voor het moment,
net als de eerste keer.

 


MINNELIED

Nu het midden van de nacht
me tot ridder slaat in
het dozijn 0 geworden uur
en de wacht het woord verstaat,
schiet ik met vaart van goud
door de kraal van hout
in de roos – spiegeldoos,
verkleed als karmozijn,
met zwaard ende graal
voor jou, mijn prinsgemaal,

ons vuur levend barend.

We drinken uit handen
van de maan, haar straal
een streng melktanden –
de oppervlakte glanzende kom
naar me toe: De taal drijft
onze monden binnen en blijft
in de wisseling van het hart,
de gewonde zinnen: oog om
oog, tong om tong – de long
van minnen. Zonder lood

peilt het licht dood na dood.

 


MUZENVAL

De creativiteitsmachine
spuugt inktvlekken uit,
ik maak er woorden van
en noten, vers in hun knop
of dop – modelleer ze naar
het beeld van een jonge god
die bekoort in gedachte lijn
van het lichaam, mijn oog
glijdt langs zijn silhouet,
tekent hem snel in de muis
van mijn hand. Niet te lang
wachten, kijken – anders
struikelt hij, verdwijnt.

 


NACHTVLINDER

Mijn gezicht verdraagt het daglicht
niet – in mij ziet de gedachte
zich: de ziel van een fles,
heel en leeg op z’n best of
Achilles’ hiel en geest gewond
door de veeg van een mes.

Zijn nachtverdriet vond
het bad: daar waar het blad lag
in tegengif huist een luister niet:
het glaasje Jif van sj, sj, sj
wast de bedwelming met het uur
voor later en het vuur.

Jij bent mijn engel en dans op
de hemeltrans van triphop,
je maanzieke extase past
mijn kroon, krast hem schoon
op de tast, een wolkje zuiver
water langs huiverhuid.

Onze hond zingt, zijn jong hinkt
door de drumtrack met de tong
uit z’n bek in trancedance,
zijn taal vredig saturnisch
misplaatst als het roestvrij
staal van je genavelde ring.

Zo gaat het levenslied rond
een ketting tring ding ding
van suikerbeestjes – ik sla uit
om kwart voor 7, wil je
iets geven: een kus door de bus,
ohoneiheindiggigheidslus.

 


OM JOU

We worden wakker in de
vlam en het vloeibare kaarsvet.
We bevrijden de hand van
de slaap – zijn vingers
openen ons bed; die
vleesgevende plant spuwt
liefde geworden leden de kelk uit,
draden van meel –
je huid meet de lucht zijn
tent, groene sterrenogen
zo goed
als goud de zon –
proef je uit mijn kus
hoe mooi je bent?
Het lag steeds op
mijn lippen

als dat kon.

 


OREWOET

Ik wrijf het geluid van je stem
over mijn gezicht –
mijn vingers drukken
de druppels aan stukken.
Je likt over mijn wangen,
aan mijn wimpers,
op zoek naar zout: minerale
houdbaarheid voor banen van bloed.

Tranen meren aan je lippen en
keren zich buitenste binnen.
Je slikt de voedselvloed
met lome teugen – als een sluis.
De handeling klinkt terug
in de wijde buis van de omgeving –
de geesten zien elkaar op de brug.
Je tong ligt open voor de tijding:

Mijn antwoord op jouw getijde.

 


RESPONSORIUM

In je glas rest alleen
de droesem nog
van afgelopen nacht –
daar valt het bad van rode
wassing met de traan van
de druif in de glasschacht.
Langs je midden zinken
druppels in ons zwijgen.
Vandaag ben ik je taal –
je draagt me naar
het binnenste van de kan.

Ik praat je na.

Het refrein haalt het grondsop in –
het raadsel verlaat me
met de zin en gaat
te voet van ja naar ja
om beschonken
je oor binnen te gonzen
door een koker van klank.
Mijn ruis opent je slakkenhuis.
We verzilveren elkaars
letterkoord – je maakt me waar
in het toegeworpen woord.

 


RIVERSIDE PK

Ik zie het lichaam van
een wild paard in het park,
juist losgelaten uit donkere
stal, hup de zon in, geen
sukkeldrafje – explodeer ik
mijn ledematen in galop.
Op mijn hoef staat Nike,
dierbaar totemdier.

En schouderblad slaat een
kruis naar heupgewricht,
met de ruiter: hij heet
Idee. Links is gelukkig
en rechts en omgekeerd,
zijn voelsprieten stromen –
wind en manen langs mijn
smalle zachte lijf, lief paard,

schrijf je dit voor mij?

 


VIDEO

In het geblindeerde museum
waar de turbulentie
van de gedachte kunstlicht breekt
in losse beeldjes, kauw ik
de digitale clip uit 23
paar vezels montage:

chromosomen van vertoon,
vuurkloon in een vaart van
geduld – de intimiteit van
het losgeslagen raster
beweegt zich, knip en plak,
over poriën voort.

Door het veelscherm heen
groet uitvergroot het
enkelvoudige oog – hart hoort.
Intergewenste wijziging
bekoort actief de knoppen
op een ander zijn huid,

over de kromme ruit
gespannen, een boogjesnet –
een schakel om, zet uit,
zet aan en uit. Waarom schrijft
de as zo vloeiend grijs en zwart
waarom in de melkweg?

 


WOORDRAAM

Aarde ademt het antwoord –
bad het de as uit zijn beeld, waar
bloed en cel bomen naar een zekere
dood, dan dacht geen geest zich
druppelend dicht als geluid: het
gezicht heet glazen hand en zijn
hoofd de hemel van geziene leegte die
leest elke dag mijn kaart van huid –
mijn lippen likken langs land.

Lucht uit mijn mond maakt
naam en de nacht met zijn oog
een raam, met zijn oor een plaats
voor de ring door steen en stem –
stof voor een taal waar tijd een tong
laat, een traan slaat – uur heeft in
vlam en vuur. Was water een weg,
de wens waarom een wimper kleeft
aan licht, dan gaf het woord zijn

meervoud door aan zand en zout.

 


ZENO

Ik zou zo graag willen
lezen wat ik morgen
schrijf, gedachten inhalen
als een pijl zich vangt in
plaats van of…of tijd.
Jij schiet continuüm:
Jouw gedachte kan ik
grijpen, denk ik, even in
een doosje doen, dat is
je mond – langs zijn lijn
lopen van lippen rond
naar je geheim en het
openen in 1 adem,
zien: Het blaast
me toe en leven in.

 

 

 

recensies over Logos


Remco Ekkers: Avontuur van lichaam en kosmos

De eerste bundel van Rozalie Hirs (1965) heet Locus (1998). Zij heeft chemische technologie gestudeerd en compositieleer. Uit de bundel, die gaat over schepping en bevruchting, blijkt een grote belangstelling voor mythologie en een uitgesproken creatief talent. Zij schrijft geen gemakkelijke gedichten. De lezer moet nogal wat huiswerk doen, zoals vaak bij het lezen van interessante poëzie. Kees Fens schreef eens dat het schrijven over poëzie ‘altijd het verhelderend verschuiven van de moeilijkheid’ is. Waarom doen dichters zo moeilijk?

Het antwoord is dat ze niet moeilijk dóen, maar dat het moeilijk ís: het schrijven over wat je beroert. Het leven is nu eenmaal zo ingewikkeld dat we er niet veel van begrijpen. We moeten het benaderen met beelden. En dat geldt ook voor de bespreker. Natuurlijk bestaat er ook eenvoudige poëzie en die is niet minderwaardig, maar je bent er wel sneller op uitgekeken.

Rozalie Hirs’ nieuwe bundel heet Logos (woord). Op de voor- en achterkant staat een tekening van een lichaam, zoals je die wel in anatomieboeken vindt. Het lichaam ligt in een gevende of ontvangende hand. Verder staan er details van het hoofd, een oog, het binnenoor, de hersenen en het hart. Daarbij vinden we allerlei afkortingen van de titels van de gedichten in twee of drie letters. In het midden van de bundel vinden we nog eens zo’n tekening. Het lichaam ligt nu uitgestrekt op de rug. De eerste bladzijde geeft een ‘handleiding’met de volgende opdracht:

Zoek op de landkaart in het midden van dit
boek het lichaamsdeel dat je uitkiest voor een
bezoek. 2. Je vindt een plaatsnaam: afkorting
van de titel van een gedicht dat dit lichaamsdeel
belicht. 3. Bladeren door wat alfabet heet, incompleet
dat geef ik toe, geeft je het hoe, waar en naartoe.

Liefs van Logos

De ondertekening is opvallend: de bundel zelf spreekt de lezer toe.

Tot zijn verrassing ontdekt de lezer vele liefdesgedichten. De geliefde is een mens van vlees en bloed, maar tegelijk ook de taal.

Ik zou zo graag willen
lezen wat ik morgen
schrijf, gedachten inhalen
als een pijl zich vangt in
plaats van of… of tijd.
Jij schiet continuüm:
jouw gedachte kan ik
grijpen, denk ik, even in
een doosje doen, dat is
je mond – langs zijn lijn
lopen van lippen rond
naar je geheim en het
openen in 1 adem,
zien: het blaast
me toe en leven in.

Het leven in: daar gaat het naar toe.

Alle gedichten hebben te maken met het avontuur van het eigen lichaam, dat soms gelijkenissen oproept met de wereld en de kosmos. Met het herhaalde lezen ervan dringt men steeds dieper door in een fascinerend universum.

(De Leeuwarder Courant, 28 juni 2002)


Eric de Kok: Het lichaam als poëtisch puzzel

Het menselijk lichaam als poëtische puzzel. Rozalie Hirs (1965) zoekt in haar tweede dichtbundel Logos naar de geheimen van het menselijk lichaam.

Ze maakt een tocht door het lijf, tot in het DNA aan toe. Maar ze kan het geheim niet ontrafelen. Logos is een grote legpuzzel waarvan alle stukjes nog door elkaar liggen.
Het begint al met de inhoudsopgave, midden in de bundel. Het lichaam wordt er als een landkaart afgebeeld. De delen verwijzen naar de gedichten. Het zijn geen verwijzingen naar paginanummers, maar naar titels. De gedichten staan in alfabetische volgorde. Ze staan vol begrijpelijke, vaak zelfs eenvoudige woorden. Veel verwijzen naar delen van het lichaam. Maar de woorden zijn niet in een begrijpelijk verband geplaatst, vaak zelfs niet eens in een grammaticaal verband. Er is geen verhaallijn, geen onderliggende persoonlijke ervaring of emoties.
Het enige verband is dat van de associatie, en dan vooral van de talige associatie: het ene woord lijkt het andere op te roepen doordat het erop rijmt of samen deel uitmaakt van een zegswijze. Het maakt Hirs’ poëzie serieus en humoristisch, en verwant aan die van B. Zwaal. Zo pleit een octopus voor “vrijheid van inkt”. De octopus is een beeld voor de dichter, bij wie uit de bek “een woordentolk rolt”. Die woorden roepen “tolk” en “dolk” op, en dat laatste weer “dood”. Na een paar keer lezen in het gedicht begrijpelijk, maar om te zeggen mooi, nou nee.
Op zich een beter gedicht is ‘Kleren van de keizer’. Het gaat over het moment dat iemand bloot bij de klerenkast staat, tijdens het omkleden. Met name het begin is mooi, met zijn rijm en zijn omkering: niet de mens wordt aangekleed, maar de kleerhanger:

KLEREN VAN DE KEIZER

Ik kleed de kleerhanger aan –
daarmee bewijs ik mijn kleren
de eer van vanger in de veer
van de kast. Ze keren altijd naar

daar terug – dan weer naar
waar het lichaam loopt op de
tast van mijn voeten. Het toe
vormt zich als onze komst –

heel of niet: wij zijn naakt
Het nieuwe maakt ons 3
seconden wijzer – de kleren
van de keizer, zijn onderbroek,

overhemd en overal met
heden, voor de duur van het
verkleden sta ik in oud uur,
herinnering aan stof en

zweet, een paar haren,
uit mijn hoofd losgemaakt
dekken zich toe, geven het
hoe, waar en naar toe.

(Noord-Hollands Dagblad, 13 juni 2002)