30 november 2025. Vandaag verscheen het essay Hedendaagse poëziestudie en cognitie door Helena van Praet in het Cahier voor Literatuurwetenschap Volume 16 (2025), Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap, Universiteit Gent, België. Het volledige artikel is hier te lezen.
In het nieuwe artikel schrijft Van Praet onder meer:
“Dit is een brede blik op poëzie als drager en producent van cognitie (als kennis), maar de hechte relatie tussen poëzie en cognitie gaat verder dan deze cultuurhistorische associatie. In wat volgt worden beknopt drie courante benaderingen van poëzie en cognitie besproken: poëzie als wereld, poëzie als verkenning van cognitie en poëzie als talige uiting van het menselijke conceptuele denken. Deze drie perspectieven zullen op hun beurt geïllustreerd worden aan de hand van het gedicht ‘[tovenaar]’ van Rozalie Hirs uit haar derde bundel [Speling] (2005).” (p.3)
“In het gedicht ‘[tovenaar]’ (19) van Rozalie Hirs wordt op metareflexieve wijze over een dergelijke constructie van poëtische werelden gereflecteerd. De aangesproken jij is een “tovenaar” die vergeleken wordt met een “lantaarn” die via “licht” “glasfiguren” tot leven brengt. Deze jij creëert letterlijk (visueel) en figuurlijk een perspectief of “oograam” waarvan het lyrisch subject het middelpunt inneemt: “alles [was] uit het beeld gelicht / juist waar je me zag”. Door zijn of haar “lens” “scherp” te stellen en voor het lyrisch ik te kiezen komt de jij met andere woorden “thuis” en krijgt hun intersubjectieve wereld vorm. Poëtische en gedeelde menselijke werelden zijn in dit gedicht nauw verweven.” (p.5)
“Ook in Hirs’ ‘[tovenaar]’ komt zo’n verkenning van de menselijke cognitie aan bod. De spreker steekt immers meteen van wal en vraagt: “Maar wat is waar, mijn wereld / en hoe waar is waar de jouwe / was?”. Ons denken is niet neutraal, maar hoogst subjectief en afhankelijk van een “fij[n] lichaam”. Dat de wereld er dus ook anders uit zou kunnen zien, waarbij dit zien ook altijd conceptueel van aard is, wordt in dit gedicht benadrukt door de vele verwijzingen naar de menselijke blik via woorden als “de kleurplaat”, “het licht”, “lantaarn”, “je oograam”, “zag”, “de lens” en “je netvlies.” De prototypische link tussen kijken en weten is snel gelegd: dit gedicht stelt de onfeilbaarheid van onze (conceptuele) perceptie in vraag.” (p.6)
“Wanneer we Hirs’ gedicht ‘[tovenaar]’ op zo’n cognitief-linguïstische wijze bevragen, dan vallen bijvoorbeeld de vele verwijzingen naar het lichaam op, die de taaluiting in een specifiek lichaam verankeren. Deze verwijzingen behelzen niet alleen het zien, zoals we hierboven bespraken, maar refereren ook aan de tastzin, zoals “toen ik de kleurplaat nam” en “koude ijsbloem” duidelijk maken. Daarnaast maakt het korte gedicht gebruik van verschillende actieve werkwoorden die (mogelijk) een beroep doen op onze eigen lichamelijke ervaringen en zo betrokkenheid kunnen stimuleren: nemen, blazen, griffen. Tot slot valt ook het gebruik van deixis in dit gedicht op: het is opgebouwd als een typisch lyrisch samenspel van een ‘jij’ en ‘ik’ via persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.” (p.7)
Van Praet, H. (2025). Hedendaagse poëziestudie en cognitie. Cahier Voor Literatuurwetenschap, 16. https://doi.org/10.62956/p9b0qn40 (Original work published 2025)
*
[tovenaar]
Maar wat is waar, mijn wereld,
en hoe waar is waar de jouwe
was? Toen ik de kleurplaat nam,
het licht haar glasfiguren
leven in zag blazen, was jij
tovenaar, lantaarn. Toen ik als
koude ijsbloem in je oograam
lag, was alles uit het beeld gelicht
juist waar je me zag. Gegrift het
fijne lichaam – door de lens op
scherp, je netvlies thuisgebracht.
—Rozalie Hirs, uit [Speling] (Querido, 2005)