Lees hier een gedicht uit elk van de zeven dichtbundels van Rozalie Hirs, verschenen bij Singel Uitgeverijen|Uitgeverij Querido. Klik op de plaatjes voor meer gedichten.
 

naar je gelijkenis

laat de onversneden wateren van je denken vloeien door bloed
van je voelen laat de lucht opkijken naar je beelden roepen

onder schorre voeten aarde jaag aan geef niets dan je liefkozing
prijs alles laat zien wat in de zee is op het land leeft laat weer

los als stormen balancerende beelden leven door ware minnen
donderen in ontsteltenis vulkanen daar langs je zeilt de hemel

zelf naast goden van zilver en goud je onbehouwen altaar
op losse stenen hijst naar een geheimere eigenzinnigheid

 
uit: oneindige zin (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2021)
 

van roos tot enig glaswerk

wie drinkt er uit jou, fluitglas, je kleurloze kelk op aquamarijnblauwe vleugelstam
in de vorm van een acht, met aan weerszijden vleugels, als een engel, vogel,
op schijfvormige voet met omgebogen rand, pontilmerk — stiert er tussen hemel
en aarde, hiernamaals, woorden? wie drinkt er bier als water uit jou,

cilindrische beker — door en door aquamarijn, met opgestoken bodem,
uitslaande lip — naast een ontbijtje van haring, brood? wie slaapt zijn roes uit
nadat je leven — ingeblazen tot een conisch kelkglas op geribde stam,
met vleugels staand op een schijfvormige voet, tandeloze bodem

even roodoranje gloeit? wie drinkt uit jou — cilindrisch kleurloos glas,
met geribbelde afgeronde bodem — aards of vurig straks tot stof vergaand?
wie laat het drinken — beker, de licht opgestoken bodem op braamnoppootjes,
je bovendeel en lip in aquamarijnblauwe draden dan wel wulps uitstulpend

knobbelreliëf gewikkeld — om naar je te kijken? blijven je scherven —
indifferente beker, stangglas, nap, kom met kruis of schuine ribbels,
knotsbeker, noppenbeker van het type koolstronk — tussen regen, vuilnis
in beerput, ondergrondse waterput — gouden-eeuwer, voor altijd doorschijnend?

 
uit: verdere bijzonderheden (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2017)
 

de dag rolt de straat op

de dag rolt de straat op
vanuit een diepte waar ik niets van weet
rolt de dag de straat op die ik diepte noem
want zo heet de dag vandaag: een diepte is als jij
haar weet te vinden in het onderhavige
onderzoek ritselen wij wat met papieren

nemen het op voor elkaars vermogen
te zien in het donker of de oever slaapt
als de eb een eind weg vandaag
de weg bewondert steeds anders bevolkt
en we de horizon naar ons toe halen —
een rode draad met flonkerdingen

verschoppelingen van de schaduw
tot het asfalt onze voeten verbrandt
het vuur opgooit uit ons zweet
het lijf bestuurt als ware het een vrucht
op het wegdek uitgespuugd en geen vogel
echt geen vogel opvliegt

met het verwisselen van de gedachte
vraagt de mond om niets
bemint de mond bevindt de groet zich
in onuitgesproken millimeesterlijk
benaderde zichtbaarheid van dit en dat
van wat en hoe de dingen zijn

blijft het bloed maar vragen stijgt
in het blozen een langskomende trein
schuift zich tussen nieuwbouw en leegte in mist
ons berovend van zicht op een vlieger
met een staart vol gekleurd licht
van goud misschien — misschien ook niet

 
uit: gestamelde werken (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2012)
 

tuimelaar

gelukkige hoedanigheid van onder de zeespiegel verblijven
of boven de wolken een stoffige veer de vogel vinden alles

verandert in de schemering verdwijnen opmerkingen
van de regen zinderende zon het gewicht de dingen meer

of minder is dat wat we leven noemen kleine witte bloemen
die tussen stenen groeien er genoeg herinnering voor een stroom

van dingen is samengebald tot een moment met dit beeld
of gevoel het gras dat wuift het riet zingt en water ruist alleen

in de taal van vogels of walvissen en stroomt net zo lang
als de lucht om bomen zich verliest in tijd en levens

in herinneringen onuitgenodigde feiten in aanwezigheid
van walvissen en vogels door het water gladgemaakte kiezels

kleuren waar het naartoe gaat dat je leeft en weet je verstrijkt
als alle betekenis op den duur je bewustzijn een korte zomer

 
uit: Geluksbrenger (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2008)
 

beeld

hoe een beeld zich in taal slaat,
je stem verspringt, je hert verschiet –

zijn roos overloopt, de wijn
van eiken is, roemer voor stenen,

de tafel gonst van honing en
de uil met bos je mond ontkorft –

behoort bos zijn botten toe, vuur
zijn voltooiing, wat as – wat jij?

 
uit: Speling (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2005)
 

om jou

We worden wakker in de
vlam en het vloeibare kaarsvet.
We bevrijden de hand van
de slaap – zijn vingers
openen ons bed; die
vleesgevende plant spuwt
liefde geworden leden de kelk uit,
draden van meel –
je huid meet de lucht zijn
tent, groene sterrenogen
zo goed
als goud de zon –
proef je uit mijn kus
hoe mooi je bent?
Het lag steeds op
mijn lippen

als dat kon.

 
uit: Logos (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 2002)
 

visser

Ik vis de dag uit het water
met de zon –
het net valt als een woord
waarin ik mijn vrouw vang.
Ik liefkoos het water;
ik roof tederheden.
Schuim spoelt aan –
vliegende vissen zingen:
zilt water,
zilveren water…
Hun ingewanden worden
blootgelegd door mijn mes,
zoals eerder de kiel een spiegel
onbeleefd opensneed.
Wind spreekt tot mijn haren:
De nacht is een zinkend schip
met duizend slapende doden
in zilt water,
zilveren water.

 
uit: Locus (Amsterdam: Uitgeverij Querido, 1998)