14 juli 2026. Naar aanleiding van het Watou-themanummer publiceert Poëziekrant (Gent) het interview Creatief met kaas van Anneleen de Coux. Zij sprak met Blobotone (Judith van der Elst & Frouke Wiarda) en Rozalie Hirs over hun samenwerking voor de tentoonstelling Sonic Cheese and the taste of the future: Capturing the atmospheric terroir.

In opdracht van Watou schreef Rozalie Hirs de gedichtencyclus wezens van de kaas, speciaal voor de tentoonstelling van het kunstenaarsduo Blobotone. De nieuwe cyclus is tevens te lezen in het Watoukatern van het zomernummer 2026 van Poëziekrant. De installatie Sonic Cheese and the taste of the future: Capturing the atmospheric terroir is van 14 juli tot 31 augustus 2026 te bezoeken tijdens Watou in Poperinge, België.

In het interview vertelt Rozalie over de samenwerking en haar bijdrage:

“Ik heb me verdiept in de leefwerelden van Judith en Frouke: in de geluiden van de wind, het landschap, de golven, het klimaat en het kaasmaken. Eerst dacht ik dat ik een cyclus over al die aspecten zou maken, maar uiteindelijk heb ik gekozen voor het ontstaan van de kaas zelf, vanuit het perspectief van de micro-organismen: het ‘wij’ van de kaas. Ik zocht naar het karakteristieke. Bij het maken van kaas ben je voortdurend getuige van transformaties. Het gras – dat meteen al invloed heeft op de smaak van de kaas – wordt gegeten door de koe. Vervolgens wordt het verteerd in de koeienmaag, in verschillende stadia. Op bijna miraculeuze wijze ontstaat er melk. Daarna gaat de kaasmaker met zijn of haar handen aan de slag met die melk. Er komen micro-organismen aan te pas. De kaas rijpt verder, beïnvloed door klanken en andere omstandigheden binnen en rond de kaasmakerij. Uiteindelijk wordt de kaas gegeten door mensen. Hij wordt geproefd, verteerd en uitgepoept. Zo komt hij terug in de grond, waarna het gras opnieuw groeit. Het is allemaal even concreet als mysterieus, onder meer omdat deze feitelijkheden gepaard gaan met emotionele elementen waar wij het fijne niet van weten, met talloze associaties.”

“Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in samenwerkingen: je blijft jezelf en bent tegelijk onderdeel van een relatie. Daarbij geef je onvermijdelijk een stukje van jezelf op. Dat hoort er nu eenmaal bij. Misschien zijn wij vrouwen meer gewend om iets van onszelf op te geven in dienst van een groter geheel? Hoe dan ook: een samenwerking is altijd een verrijking. Uiteindelijk wil je iets schrijven wat je anders nooit geschreven zou hebben. En groeien. Transformeren. Eigenlijk gaat al mijn werk over transformatie, denk ik. Over wording en verandering. En over het toevoegen van iets nieuws: een nieuwe ervaring.”

“In mijn eerste dichtbundels, Locus (1998) en Logos (2002), werkte ik al met gedachtestreepjes. Later heb ik die, samen met alle andere leestekens, geleidelijk losgelaten. Dat culmineerde in mijn zevende bundel, oneindige zin (2021), die zich bijna laat lezen als één eindeloos lange zin. In 2023 volgde ecologica – over de meervoudige taal van de natuur. In dagtekening van liefdesvormen (2024) heb ik geprobeerd het weer ‘eenvoudiger’ te maken, met kortere zinnen. En wat is nu het interessante? In mijn nieuwe bundel vragen naar het begin, gebruik ik – net als in de cyclus voor Watou – opnieuw gedachtestreepjes. Die oneindige zin zal ik nooit meer loslaten. Het is een beetje mijn handelsmerk geworden: de zin die zichzelf voortstuwt en steeds doorgaat, zoals het leven zelf. Die zin is een metafoor. Mijn gedachtestreepjes zijn kleine pauzes, momenten van reflectie voor de lezer om te rusten. Schakels tussen de zinsdelen, waardoor ik die oneindige zin kan opbouwen. Tegelijk verwijzen ze terug naar mijn allereerste ideeën over poëzie.”

“Het gaat inderdaad over het cyclische: de seizoenen, het rijpen… Maar tegelijkertijd leeft dat ‘wij’ van het microbioom veel langer voort dan de mensen die hier nu zitten. Het gaat ook over de oneindigheid van dat ‘wij’, dat in allerlei vormen blijft voortbestaan. Dat kan beangstigend zijn, omdat we daardoor geconfronteerd worden met onze eigen sterfelijkheid. Die koe sterft ook en de kaas wordt opgegeten. Maar de micro-organismen overleven ons allemaal en zullen uiteindelijk weer heel andere dingen voortbrengen. Daar kan ik me over blijven verwonderen. Er schuilt een grote schoonheid in.”

Het gehele interview is de lezen in het nieuwe nummer van Poëziekrant en is ook online beschikbaar. De bijbehorende gedichtencycus van elf gedichten is hier te lezen. Veel leesplezier!