In haar vijfde dichtbundel gestamelde werken omarmt Rozalie Hirs schoonheid in een veelheid aan leesmogelijkheden.

“De poëzie van Hirs intrigeert me. Bovenal lijkt ze op onderzoek uit. En dat onderzoek is een poëtisch avontuur. Ook voor nieuwsgierige lezers.” Arie van den Berg, NRC

“Rozalie Hirs is als dichter een impressionist die graag laat zien hoe ze te werk is gegaan. Ze schrijft sensitieve verzen die op eigenzinnige wijze een verbinding tot stand proberen te brengen tussen romantiek en mathematica.” Piet Gerbrandy, De Groene

“Haar werk gaat recht de kosmische ruis in en roept uiteindelijk vooral op tot handelen in volstrekte subjectiviteit. Kijk, zoals je gezien bent. Noem, zoals je genoemd bent. Maak, zoals je gemaakt bent. En lees als een schepper: stamelend.” Joost Baars, Poëzekrant

“Gestamelde werken van Rozalie Hirs is de bundel met de grootste bravoure, omdat ze poëticaal gezien het verst durft te gaan. Ze is een van de meest intrigerende Nederlandse dichters van dit moment. Haar gedichten zijn erg zinnelijk en muzikaal. Ze creëert een brede stroom van woorden, vol associaties, die ze durft te onderbreken. Dat is haar manier van stamelen, waar de titel van de bundel naar verwijst. Ze schrijft het treffendst wanneer ze met taal de chemie van de liefde probeert te verwoorden.” Paul Demets, De Morgen

“Door de woorden anders te combineren verwoordt ze tegelijkertijd het gewone, het verrassende en het extatische van seks. […] De andere cycli in de bundel zijn verre van gewoon. De sterren-cyclus is prachtig vormgegeven met witte letters op zwarte bladzijden. Sowieso mag de naam van boekverzorger, Michaël Snitker, niet ongenoemd blijven, want dit is een voortreffelijk vormgegeven bundel. De gedichten van Rozalie Hirs bevinden zich allemaal ergens tussen bevreemdend en wonderschoon in. ” Ricco van Nierop, De Recensent

inhoud

1. gedichten uit gestamelde werken
1.1. de dag rolt de straat op
1.2. een dag 1-3
1.3. een engel
1.4. die deed mijn schoenen aan

2. recensies
2.1. Piet Gerbrandy Een huidrots van water (2012)
2.2. Arie van den Berg De rijpgrage bomen buigen (2013)
2.3. Paul Demets Ladies’ time (2013)
2.4. Joost Baars Poëzie voor scheppende lezers (2013)
2.5. Ricco van Nierop Tussen wonderschoon en bevreemdend in (2012)

3. digitale poëzie: zichtboek van gestamelde werken
3.1. alter ego 1 – Nicky Geneva, Blogger
3.2. alter ego 2 – Agatha van der Aa, YouTube
3.3. alter ego 3 – Diederik Lamme, Tumblr
3.1. alter ego 4 – Anna Sherman, Facebook
3.1. alter ego 5 – Paul Wittema, Twitter
3.1. alter ego 6 – Marc Thompson, Instagram

gedichten uit gestamelde werken


*

de dag rolt de straat op
vanuit een diepte waar ik niets van weet
rolt de dag de straat op die ik diepte noem
want zo heet de dag vandaag: een diepte is als jij
haar weet te vinden in het onderhavige
onderzoek ritselen wij wat met papieren
 
nemen het op voor elkaars vermogen
te zien in het donker of de oever slaapt
als de eb een eind weg vandaag
de weg bewondert steeds anders bevolkt
en we de horizon naar ons toe halen —
een rode draad met flonkerdingen
 
verschoppelingen van de schaduw
tot het asfalt onze voeten verbrandt
het vuur opgooit uit ons zweet
het lijf bestuurt als ware het een vrucht
op het wegdek uitgespuugd en geen vogel
echt geen vogel opvliegt
 
met het verwisselen van de gedachte
vraagt de mond om niets
bemint de mond bevindt de groet zich
in onuitgesproken millimeesterlijk
benaderde zichtbaarheid van dit en dat
van wat en hoe de dingen zijn
 
blijft het bloed maar vragen stijgt
in het blozen een langskomende trein
schuift zich tussen nieuwbouw en leegte in mist
ons berovend van zicht op een vlieger
met een staart vol gekleurd licht
van goud misschien — misschien ook niet


een dag

[1]

vliegende ogen met verende vleugels lichten geworpen
op een landkaart getekend in handen vlammend
klaarwakker dat zei ik toch niet een ademloos lichtgewicht
honingmerk en stuifmeel van levende klaprozen blauwe
velden korenbloemen als ontpopte hoofden eenogige
wolkenloze lucht waar dromen vandaan tevoorschijn
komen als zijderupsjes zich in duizenden meters
spinnende talen op grijsgroene moerbeibladen bedekt
met haartjes onthullende draden een verliefde zon
tegemoet komen zomaar zonder opdracht of regen
strekkende voelsprieten even een aanraking
van uitslaande vleugels naar wat is (een dag)

[2]

waar komen vlinders vandaan die invasie van lentelijke
lichtgevoeligheid ondragelijk bijna witte vleugels
gespikkeld uit een droom ontwaakte nacht zo vroeg
een hand vol ochtenddauw gedronken van glanzende
grassprieten en enige uren die klonken als zware klokken
in een dorp tussen niet gespecificeerde bergen
waar mensen wonen ergens op aarde uit haar voegen
prei en uien oogsten appels in een gaard en bomen bloeien
druiven barsten voor rijping in roestvrijstalen tonnen
en straks een neus verleiden het verhemelte dan
over de tong gaan als voorproef op wie vannacht
in enige uren aanloop van opnieuw (een dag)

[3]

verschijnt in het raam een land van ijsvogels
dan kraken ijsbloemen op warme adem naar lippen
bewegen als herinneringen losgelaten haren langs wolken
niet door gespikkelde vlinders of de wind bezochte wegen
een huis de struik in een berm bevroren regenwater
verdwijnt aarde onder een witte in lichtstralen
verpakte glinsterende oppervlakte tekenen diezelfde
wolken van weer wat nevel voorbij de koude morgen
springen vlokjes het licht in een welving
van horizonnen laten vinger voor vinger schaduwen
glijden langs bomen wakker worden zich herhalen
woord voor woord een ademen (een dag)


*

een engel loopt over straat ontmoet een man
verdwijnt om de hoek
wanneer de engel en de man elkaar
hoe dan ook gezien hebben

verschijnt het glimmen van ogen
een zoeken verwoed naar oogleden neerslaan of
woorden van de vloer rapen scherven van
een vorig onafgemaakt gesprek tot nadere bepaling
in onvoltooide tijd zolang je leeft
en wijkt en wijkt
met een oogopslag verdwijnt

of een woord uit een wirwar van overgave
aan wat veelbelovend dan wel
aanwezig — in ieder geval — is

bewust zijnd lichaam
op drift


die deed mijn schoenen aan

[1]

kijk daar ligt bosaardbeiblad waar dan wat te spinnen
kat tussen doornen boom zijn vloeiende gewei waait
langs graterige eilanden gortdroge wind

snijdt gierzwaluw een staart tot twee punten drijft punter
oevers aan mijn snikgoed roosjes op haarspeldbenen
tenen lopen met het denken de in klakken gehulde tong

verschieten kiemen uit hun jasje blij te leven
ben ik even dageraad sering als zijn stengel knopperig
het toelaat berkenbastkrullen dansen in wind

[2]

graszoomt de marge van een veld in helmgras geschilde
kruisbessen klaver verlaat loofroof zijn bomen herfstig
draait een lenig paard rondjes danst zich een hoedje

door verschroeide akkers trekt ploeg en wortel uit
verdronk waar boot aankomst slaat met zeilmast
de weg in een bonte zwaai spechten vliegt veertien jaren

huilde ik kom nu dan kom gestoppelde ochtend
geraken we aan klokjes vrouwenmantel weiden
watergroene leliën bijna-wit parelende aarde

[3]

verslingerd aan vijgen en lelies vogelduik
in een waterplas vol zon en gierende wind verteren aarde
met gauw geschept papier vliegensvlug aangeveegde wolken

luchtige weiden wit versneden kwam ik over lichte heuvelen
de dood tegemoet die deed mijn schoenen aan
door springvorst ben ik weggegaan op blote voeten

tussen altijd groene vliegdennen door wadden
waadt het tij tot aan kuiten uitbuikende zee
rook aan ijs vergrijsde kreukelende tak knisperende

bloem haar knopen openbloeiende letters greep de dag
de nacht en ellenlange sloten glinsterende banden
door velden met netels aan mijn voeten

[4]

dat ochtendrijp zo kiemt en kiemt de melkwitte zon
op pannen dansende regen langs loslopende veldweg
streek langs hoofd en jukbeen olijfboomtakken

essentakken wiegen dan breek ik met eendendons uit bed
drink loepwater uit geschubde droom verdwaalde geuren
drijven langs een pad waar klein hoefblad hupt

met een afdruk van drafpassen zet ik nachtvoeten
in de lichtgrijze met stuifsneeuw bedekte akker
naast kleine kroosboten die modderpoel bedrijven

[5]

met bladeren granaatappelig bloedrood de haren
zie ik kattenstaarten wroetend door akkers
onkruid gestekte paardenstaarten een land vol mei

bevochtig aarde om lente te zaaien vraag bergen naar tijd
niet fijn te spinnen bleekgele vederdistels niet te dichtbij
drijven hulzen in sloten spiegelen witte vlierschermen

in jasmijnjas gehulde verdwaalde geuren mosgroen
gespikkeld beklimmen met madelievenstengels
ladders in haren verpoppende dagpauwogen

[6]

alsof ik licht door muren heen kan horen vallen in een dorp
van bomen ontvouwt zich heel een weg op handen
bloeiend blind vertrouwde ik waterlelies en lotus

aan water toe in brandende zon volgen oogtakken
door windbewegingen gestuurde ledematen schepen
van bast mompelende kiezels in de beek rollen langzaam

naar duin ratelend langs kotten toverdriet vroeg gevloerde
moerasbloemen van handvormig gedeelde bladeren
vlecht ik sterrenkransen kelken om uit te drinken

[7]

in knokkels steken dolkjes steeds van brandende
lariksnaalden weer rood verspringende vossen waar
bereklauw groeit langs bleke berkenbast bijen zoeven

de maan zijn fratsen zien oogdiertjes springende nachtegaal
dan eet ik slaapbessen glibberige kikkerbillen huppen
in krullende beek tussen sparren het handschrift en

schellen van zee golvend geluksalarm waar witbeeks wolgras
botten van schermgras beuken op een heuvel bakens
in de verte schepen verstaan tot spiegelen aan toe

recensies over gestamelde werken


Piet Gerbrandy: Een huidrots van water
De Groene Amsterdammer, 31 oktober 2012

in knokkels steken dolkjes steeds van brandende
lariksnaalden weer rood verspringende vossen waar
bereklauw groeit langs bleke berkenbast bijen zoeven

de maan zijn fratsen zien oogdiertjes springende nachtegaal
dan eet ik slaapbessen glibberige kikkerbillen huppen
in krullende beek tussen sparren het handschrift en

schellen van zee golvend geluksarm waar witbeeks wolgras
botten van schermgras beuken op een heuvel bakens
in de verte schepen verstaan tot spiegelen aan toe

Wie van enige afstand naar een impressionistisch schilderij kijkt, ondergaat een explosie van kleur die desondanks te duiden valt als weergave van de werkelijkheid. De schilder heeft een methode van versplintering gehanteerd om de indruk van een totaal te creëren. Wanneer je het doek van dichtbij bestudeert, neem je nog slechts vlekjes waar, losse elementen waarvan je je niet kunt voorstellen dat ze tot een coherent geheel behoren. Het is een merkwaardige paradox dat het zoveel techniek vereist om de natuur te kunnen benaderen.

Rozalie Hirs (1965), productief componist met een wetenschappelijke achtergrond in de chemie, is als dichter een impressionist die graag laat zien hoe ze te werk is gegaan. In plaats van splinters te laten opgaan in een natuurlijk geheel breekt ze gehelen af tot fonkelende scherven. Wat resteert is vaak gestamel, maar niet dat van een wanhopige dichter die het onzegbare niet weet te verwoorden. Hirs probeert eerder vrolijk en opgewekt het zegbare in factoren te ontbinden. Haar poëzie is door en door geconstrueerd, terwijl het uitgangspunt vaak een gorteriaanse zintuiglijke ervaring is. Ze schrijft sensitieve verzen die op eigenzinnige wijze een verbinding tot stand proberen te brengen tussen romantiek en mathematica.

Een belangrijk motief in Gestamelde werken is het aanbreken van een nieuwe dag, het wakker worden om de ogen te openen voor het licht. In het eerste gedicht trekken de ogen er ’s morgens vroeg als vlinders op uit:

vliegende ogen met verende vleugels lichtengeworpen
op een landkaart getekend in handen vlammend klaarwakker

In de volgende regels bloeien klaprozen en korenbloemen op en worden dromen vergeleken met zijderupsen die een verliefde zon tegemoet gaan. Wat zij spinnen is echter geen zijde, maar taal. Zodra je op het niveau van woorden en woordgroepen probeert te zien wat er nu eigenlijk staat, raak je verdwaald, maar als je het gedicht enkele malen hardop leest, ontstaat er een overtuigend geheel, ‘even een aanraking/ van uitslaande vleugels naar wat is’.

De tweede reeks behelst een intrigerend procédé van onttakeling en herhaalde assemblage. Het materiaal wordt aangeleverd in het openingsgedicht, dat op zichzelf al nauwelijks een coherent geheel is, al biedt het een erotisch geladen tafereel dat zich afspeelt in een Hollands landschap én in de verbeelding van een met woorden spelende dichter. Hirs laat woordgroepen en zinnen zo in elkaar overlopen dat er een meerduidige stroom van taal tot stand komt. Ook hier:

het wil en wil je tegen die boom daar
zien van hoe je stam bloeit in parels
vochtigst zaadbad weg te drinken grasland
in zeven sloten langs het tafelblad tegelijk
onze handen elkaar te grazen trapgat nemen

Enkele regels verder wordt de mens treffend omschreven als een ‘huidrots van water’. We zijn hard en vloeibaar tegelijk. Hetzelfde geldt voor de gedichten, degelijke constructies die even ongrijpbaar zijn als water. Het in bovenstaande regels opgeroepen beeld wordt eerst in het Nederlands, dan in het Engels stap voor stap uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet:

go drink away a skinrock of us stirred bare in the palate
go drink away a daredevil stairwell turn the palate
go grow away a daredevil stairwell turn the you of seeds

Baarlijke nonsens natuurlijk, maar ondanks de vreemde transformaties behouden de woorden de wonderlijke kracht die ze in de basistekst hadden meegekregen.

Hirs slaagt niet overal. De afdeling ‘Bij toeval en de sterren’ beweegt zich ‘op de grens tussen verbeelding en wetenschap, waar metaforen plaatsmaken voor empirische kennis (en waar kennis nog aandoet als metafoor)’. In feite zijn het twaalf gedichten vol oninteressante weetjes over sterrenbeelden, met quasi-suggestieve verwijzingen naar hun mythische achtergrond:

een matrix met armen en benen waar in september
zon en korenbloemen bloeden geboren
wordt het allergrootste melkwegstelsel bolvormig niet plat

De tweede strofe voegt er nog een zwart gat, honderdzestig lichtjaren en een massa van twee tot drie miljoen keer de zon aan toe. Dit is heel slechte poëzie. Gelukkig is de reeks niet representatief voor wat Hirs te melden heeft. Wel typeert ze de werkwijze van een dichter die niet bang is om experimenten aan te gaan. Hirs durft te falen. Vandaag, zegt ze, ‘probeer ik hartgrondig steeds opnieuw/ waar ik steeds zo hartgrondig goed/ naar zoeken moet’. Het zoeken draagt de mislukking in zich, maar dat geeft niet:

een falen tegelijk onmetelijk licht
en handzaam klein genoeg
om mee te kunnen nemen –
altijd bij me te dragen

Beckett zei het al: ‘No matter. Try again. Fail again. Fail better.’ De laatste afdeling telt zeven gedichten waarin overweldigende natuurervaringen worden opgeroepen. Licht, takken, bloemen, vogels, duinen en zee buitelen over elkaar heen, maar een vervlechting van Hollandse en mediterrane elementen werkt vervreemdend, evenals de onbepaaldheid van het seizoen. Het is een landschap van woorden. Halverwege de reeks vindt er een mythische ontmoeting plaats, hetgeen misschien niet verwonderlijk is in gedichten die hun vorm aan Dante ontlenen:

luchtige weiden wit versneden kwam ik overlichte heuvelen
de dood tegemoet die deed mijn schoenen aan
door springvorst ben ik weggegaan op blotevoeten

Deze taal is te dartel om zich druk te maken over de dood.

Download PDF
Online artikel


Arie van den Berg: De rijpgrage bomen buigen
NRC Boekenbijlage, 4 januari 2013

Conceptuele kunst en artistieke schoonheid gaan niet altijd een gelukkige verbinding aan. Ideeënkunst doet weinig beroep op wat we voor het gemak intuïtie noemen. Critici hebben daardoor soms grote moeite om hun waardering voor dit soort expressie te uiten. Oek de Jong bijvoorbeeld toonde zich onlangs in Kunstbeeld uitgesproken negatief over de conceptuele overdaad in de nieuwbouw van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Conceptuele poëzie schept een soortgelijk belevingsprobleem. Vijf jaar geleden raakte ik vertwijfeld door de taalflarden in Dan op de zeevaartschool van F. van Dixhoorn. Op afstand leek zijn poëzie vormvast, maar bij lezing viel de taal uiteen. De onderliggende telmechanismen en de daaruit voortvloeiende muzikale patronen ontgingen me niet, maar ik vond ze te particulier om in mee te gaan. Dat kwam ook doordat de poëtische stelregel ‘Zo veel mogelijk zeggen in zo weinig mogelijk woorden’ door Van Dixhoorn tot een uiterst minimalisme werd doorgedreven.

De poëzie van Rozalie Hirs lijkt verwant met die van Van Dixhoorn, maar er zijn nadrukkelijke verschillen. Hirs gaat graag breeduit, en reikt daarmee naar maxima. Ze is ook componist, maar in haar poëzie niet van études, zoals Van Dixhoorn, maar van kamermuziek tot orkestwerk. Haar beste gedichten ‘zingen’ en hebben een dwingende melodie. Ze kwam ook niet zoals Van Dixhoorn conceptueel uit de lucht vallen. Sinds haar debuutbundel uit 1998 is haar ontwikkeling duidelijk te volgen.

De verzen in Locus (1998) en Logos (2002) leken per stuk nog traditioneel, maar de tweede bundel was al wel conceptueel gestuurd. Logos is een doorgecomponeerd opus over het mensenlichaam. Per gedicht kun je het concept als lezer ontlopen, maar op de middenpagina’s blijkt zonneklaar wat de dichter bedoelt. Een ontveld lijf verwijst daar in twee of drie letters tellende verwijzingen naar de alfabetisch geordende verzen in de bundel. Hier hanteerde Hirs, denk ik, de constructieve verworvenheden van haar scholing in chemische technologie en compositie. Het was de aanzet tot drie volgende bundels ideeënpoëzie. In [Speling] (2005) betrof het nog een bescheiden concept. Op de eerste 39 pagina’s groeien de verzen min of meer regelmatig met steeds één regel. Daarna hapert het systeem en ten slotte vallen de regels tien pagina’s lang uiteen. In Geluksbrenger (2008) zette Rosalie Hirs verdere stappen op de weg naar desintegratie. Vooral ook in syntactisch opzicht. Haar poëzie hield zich niet meer aan de linguïstische wetten. Haar versregels ontliepen de taalregels en waaierden daarbij soms uit de hand van de zetter.

Ook in Ge sta mel de werken stoeit Hirs met de spelregels van communicatieve taal. Meer dan in mededeling schuilt haar boodschap in klank en de daardoor opgeroepen sfeer. Niettemin is ze wel degelijk bezig met taalprincipes, getuige de mededeling in haar ‘Aantekeningen’ dat de series ‘het wil je en wil je’ en ‘long at present longing’ ‘de intrinsieke regels van het Nederlands en het Engels via structuren op zinsniveau’ onderzoeken. Dat is een interessant bericht, maar mijn leesplezier is allerminst gebaat bij dit cerebrale weetje. Begin dus niet met die aantekeningen. De verzen hebben los daarvan meer zeggingskracht.

Ik had het over sfeer. Een prachtig voorbeeld daarvan biedt een van de kortste verzen in de bundel.

de schemer kraakt een huis braakt
meter na meter omheining uit gestrekte
bloemen buiten even vilte in het wachtlicht
gezette rijpgrage bomen buigen waar bonte
abelen hoge jongensdorstige ogen gooien
als hoe dan ook iets als lente hier opkomt
zeeuws licht

In haar langere verzen construeert Hirs zulke stemmingen op even klankrijke wijze. Jammer vind ik dat haar poëzie waar ze, zoals op pagina 37, syntactisch wetmatig en mededeelzaam wordt, aan kracht verliest. Dit geldt ook voor de op nachtzwarte pagina’s gezette reeks ‘bij toeval en de sterren’. Om een muzikale vergelijking te maken: de besterde achtergrond wekt bij mij een even overbodige ervaring als de kanonschoten en beierende kerkklokken in Tsjaikovski’s Ouverture solennelle 1812.

Maar toch – de poëzie van Hirs intrigeert me. Haar stameling is weliswaar geconstrueerd, maar bovenal lijkt ze daarbij op onderzoek uit. En dat onderzoek is een poëtisch avontuur. Ook voor nieuwsgierige lezers.

Download PDF
Online artikel


Paul Demets: Ladies’ time
De Morgen, België, 16 januari 2013
Download PDF


Joost Baars: Poëzie voor scheppende lezers
Poëzekrant 7-8/12, Poëziecentrum, Gent, België, Amsterdam, 2 januari 2013

Download PDF


Ricco van Nierop: Tussen wonderschoon en bevreemdend in
De Recensent, Internet, 10 oktober 2012

‘Taal bouwt koepels en wanneer deze verdwijnen bouwt taal daar weer andere koepels overheen. Omdat woorden nooit stil zijn. Het begin van een zin richt de aandacht vooruit, het einde vereist dat je het begin in gedachten blijft houden. De ene alinea leidt naar de andere en deze pagina naar de volgende. De ogen zijn de lippen vooruit, al lezende slaan we de bladzijden om, terwijl de laatste regel van de vorige bladzijde nog op zijn plek moet vallen in ons hoofd.’

Dit is een citaat van de Britse essayist Tim Parks. Hij beschrijft een herkenbaar gevoel: woorden zijn nooit stil, zelfs niet als je de bladzijde hebt omgeslagen. Bij poëzie is dat gevoel misschien nog wel nadrukkelijker aanwezig dan bij proza. Met een goed gedicht ben je niet klaar als de bundel uit is – de woorden blijven rondzingen in je hoofd. Ik kwam Tim Parks tegen in het colofon van de nieuwe bundel van Rozalie Hirs. Haar bundel heet Ge sta mel de werken en bestaat uit zes gedichtencycli. Voor haar cyclus ‘het wil en wil je’ liet ze zich inspireren door de lezing van Tim Parks die hij vorig jaar voor literair tijdschrift De Gids hield getiteld ‘The Matter with Words’. Waar precies die inspiratie terug te vinden is in de poëzie van de dichter en of ze bovenstaand Parks-citaat kent is, zonder Rozalie Hirs in de buurt, moeilijk vast te stellen. Wel lijkt Hirs het herkenbare gevoel dat Parks beschrijft te gebruiken in deze cyclus. Het gevoel dat de woorden van de vorige bladzij nog tijdens het lezen van de volgende bladzij een plek in je hoofd moeten vinden.

De cyclus bestaat uit een viertal gedichten. Na het lezen van het eerste gedicht kom je in het tweede gedicht erg veel bekende woorden tegen. Het gevoel nog bij het vorige gedicht te zitten, wordt werkelijkheid. Hirs vult de hele cyclus enkel met woorden die al in het eerste gedicht staan. De beelden, zinnen, scènes die de woorden samen vormen, verschillen echter telkens van elkaar. Alsof Rozalie Hirs een foto heeft gemaakt en deze vervolgens in stukjes knipt en een paar keer opnieuw aan elkaar plakt. De ene keer plakt ze de stukjes in een kleiner frame, de volgende keer zet ze alles in spiegelbeeld. Ondanks dat de onderdelen van de gedichten bekend voorkomen, creëert Hirs op deze wijze een vervreemdende series foto’s. Haar gedichten zijn echter op een prettige wijze vervreemdend. Het prettige slaat niet alleen op de vorm, maar ook op de inhoud. Hier het eerste gedicht, dan kun je zelf bedenken waar het over gaat.

het wil en wil je tegen die boom daar
zien van hoe je stam bloeit in parels
vochtigst zaadbad weg te drinken grasland
in zeven sloten langs het tafelblad tegelijk
onze handen elkaar te grazen trapgat
nemen roekeloos waar met ons het roer om
en om zonder een lettergreep knoppen
betasten die jij en jij die wij bloot in het verwogen
verhemelte weg te gaan aangroeien
tot duizend sterren wegschietende
hemelen er binnenin wegen
tegen een huidrots van water?

Uhm… Je zou dit een gedicht over de schoonheid van de natuur kunnen noemen. Of toch gewoon een erotisch gedicht. Natuurlijk. Met zelfs een paar platte metaforen. Een stam die bloeit, een vochtig zaadbad, het betasten van knoppen. Als je de bladzijde niet zou omslaan en het bij dit ene, eerste gedicht zou houden, zou je Hirs bijna niet meer serieus nemen. Maar als je omslaat worden in het volgende gedicht deze metaforen scheef gezet, ontwricht; alle woorden krijgen een nieuwe plek en daarmee een net iets andere betekenis. In het tweede gedicht worden de knoppen niet meer betast, maar zijn het de handen die knoppen. Knoppen dat op de vorige bladzijde nog een zelfstandig naamwoord was, is nu ineens een werkwoord geworden: handen die knoppen. Rozalie Hirs weet de platitudes diepte te geven door ze van alle kanten te bekijken. Door de woorden anders te combineren verwoordt ze tegelijkertijd het gewone, het verrassende en het extatische van seks.

Zoals ik eerder benoemde, telt de bundel nog vijf andere cycli, één daarvan is een Engelstalige bewerking van ‘het wil en wil je’. De andere cycli in de bundel zijn verre van gewoon, maar maken geen gebruik van de knip- en plakmethode van ‘het wil en wil je’. De cycli gaan bijvoorbeeld over de natuur of over de sterren en het toeval. De sterren-cyclus is prachtig vormgegeven met witte letters op zwarte bladzijden. Sowieso mag de naam van boekverzorger, Michaël Snikter, niet ongenoemd blijven, want dit is een voortreffelijk vormgegeven bundel.

De gedichten van Rozalie Hirs bevinden zich allemaal ergens tussen bevreemdend en wonderschoon in. Waar ze uiteindelijk exact zullen uitkomen, is nog niet te zeggen, want de woorden hebben hun definitieve plek in mijn hoofd nog niet gevonden.

Online artikel
Online podcast

Links naar eerdere recensies over werk van deze auteur op De Recensent:
Rozalie Hirs – Geluksbrenger (2009)
Rozalie Hirs – [Speling] (2005)

RozalieHirs: gestamelde werken (ontwerp & foto: Michaël Snitker)

digitale poëzie – zichtboek van gestamelde werken

Het Belgische design en beeldende kunstduo Cox & Grusenmeyer maakte zes online personificaties van zes gedichten of cycli uit de dichtbundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs. Ze lieten deze zes online personages – of alter ego’s, zoals zij ze noemden – tot leven komen op zes verschillende sociale netwerken. Bij de keuze van de gedichten gingen Cox & Grusenmeyer uit van de eigen leeservaring, hun ontmoeting met het gedicht in kwestie. Wat vertelt het gedicht? Hoe verschijnt het? Hoe toont het zich? Spreekt het langzaam, snel, luid, zangerig, houterig? Is het neutraal van toon, agressief, verlangend, lyrisch of verleidelijk? Ze kozen zeer diverse gedichten of gedichtencycli en kenschetsten hun ontmoeting met de poëzie via steekwoorden. Zo kwamen zij voor de gedichten op zes heel verschillende karakters uit, die ze tot leven lieten komen op het online sociale netwerk dat ze het beste bij dit karakter vonden passen. Via onderstaande links kun je de personages bezoeken en deelgenoot worden van de leeservaring van Cox & Grusenmeyer.

Alle beelden werden speciaal voor dit project gemaakt en zijn auteursrechtelijk beschermd ©2012-2013 Cox & Grusenmeyer. De in de beelden, foto’s, video en grafiek getoonde woorden zijn letterlijk afkomstig van de gedichten door Rozalie Hirs. Het gaat om de volgende zes gedichten of cycli die allen volledig geciteerd worden: ‘lieve lente lacht’ (p.33), ‘vier de stameling’ (pp.52-53), ‘who put on my shoes’ 1-7 (‘die deed mijn schoenen aan’ 1-7; pp.54-61; Engelse vertaling: Donald Gardner), ‘a no’ (‘een nee’; p.31; Engelse vertaling: Donald Gardner), ‘long at present longing’ 0-6 (pp.16-23), ‘duizend en één pixel’ (p.36). Het project werd financieel ondersteund door het Nederlands Letterenfonds.


zichtboek: alter ego 1 – Nicky Geneva, Blogger

Bezoek Nicky Geneva op Blogger

Zichtboek: Alter Ego 1 (Nicky Geneva, Blogger), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "Lieve lente lacht" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs


zichtboek: alter ego 2 – Agatha van der Aa, YouTube

Bekijk de video’s van Agatha van der Aa op YouTube

Zichtboek: Alter Ego 2 (Agatha van der Aa, YouTube), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "Vier de stameling" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs


zichtboek: alter ego 3 – Diederik Lamme, Tumblr

Blader door het schetsboek van Diederik Lamme op Tumblr

Zichtboek: Alter Ego 3 (Diederik Lamme, Tumblr), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "Who put on my shoes" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs


zichtboek: alter ego 4 – Anna Sherman, Facebook

Word bevriend met Anna Sherman op Facebook

Zichtboek: Alter Ego 4 (Anna Sherman, Facebook), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "A no" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs


zichtboek: alter ego 5 – Paul Wittema, Twitter

Volg Paul Wittema op Twitter

Zichtboek: Alter Ego 5 (Paul Wittema, Twitter), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "Duizend en één pixel" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs


zichtboek: alter ego 6 – Marc Thompson, Instagram

Volg Marc Thompson op Instagram

Zichtboek: Alter Ego 6 (Marc Thompson, Instagram), Cox & Grusenmeyer op basis van het gedicht "Long at present longing" uit de bundel gestamelde werken (Amsterdam: Querido, 2012) door Rozalie Hirs

3 thoughts on “gestamelde werken (2012)

Comments are closed.